12-02-18

Hoe heeft mijn overgrootvader Klaar Buitenhek de Tweede Wereldoorlog overleefd?



Naar mijn weten is mijn overgrootvader in de Tweede Wereldoorlog opgepakt en heeft later gewerkt als krijgsgevangene voor de Duitsers. Hij heeft in verschillende kampen gezeten en is na de oorlog teruggekomen. Ik wilde graag weten hoe hij was voor de oorlog, hoe hij is opgepakt, in welke kampen hij heeft gezeten, welk werk hij heeft verricht, hoe hij is teruggekomen, hoe hij was na de oorlog en hoe deze tijd effect heeft gehad op zijn vrouw en kinderen. Ik wilde dit onderzoek graag doen omdat mijn opa Karel zijn vader nooit echt gekend heeft. Mijn opa heeft altijd gedacht dat zijn vader al naar een kamp was gestuurd voordat hij geboren was. Hij kwam terug toen mijn opa 3 jaar oud was en hij is overleden toen mijn opa 17 jaar oud was. Hij heeft dus zijn vader maar 14 jaar gekend.

Klaar Buitenhek is geboren op 31 december 1906 te ’s Gravenhage als zoon van Johannes Buitenhek en Leuntje Tuit. Op 24 jarige leeftijd trouwde hij met Wilhelmina van Duijvenboden. Vanaf 1931 was hij stoffeerder van beroep. In 1933 kregen Klaar en Wilhelmina hun eerste zoon, Jan en een jaar later hun tweede zoon, Jacob. Klaar Buitenhek heeft zijn dienstplicht gedaan in 1938 en daarna is hij ingedeeld in het regiment Jagers. Dit is een regiment wat origineel bedoeld was voor de scherpschutters en ze moesten zelfstandig te werk kunnen gaan. Het regiment Jagers wordt vaak in een zin genoemd met het regiment Grenadiers. Ze werkten ook vooral voor het uiterlijk vertoon van het Koningshuis. In de meidagen van 1940 werden ze op verschillende, voor Nederland, belangrijke plekken ingezet zoals: vliegpark Waalhaven, maar dus ook de paleizen Noordeinde en Huis ten Bosch. Er waren ook Jagers gestationeerd op de Grebbeberg. Naar het interview met Karel Buitenhek weten we dat Klaar Buitenhek op de Grebbeberg zat tijdens de meidagen. Uit het interview kan ik halen dat Klaar Buitenhek een lieve bedachtzame man was na de oorlog. Van voor de oorlog zijn er geen gegevens bekend, dus ga ik ervan uit dat Klaar Buitenhek voor de oorlog ook een lieve, vriendelijke en misschien wel het belangrijkste; een gelovige man was.

Klaar Buitenhek werd na zijn dienstplicht ingedeeld bij het regiment Jagers, dat is van meet af aan een reserveregiment. Hij zat in het 2e bataljon, de 1e compagnie. Die compagnie is terecht gekomen op de Grebbeberg. Op de Grebbeberg kreeg elk regiment Infanterie, het regiment Grenadiers en het regiment Jagers een nieuwe nummering, ook is bekend dat vanuit de regimenten Infanterie nieuwe Grensbataljons zijn gevormd. Er is erg veel uitleg voor nodig om alle regimenten na te gaan, dus ik focus mij alleen op het regiment Jagers. De Jagers werden regiment 24R.I. (regiment Infanterie). Een nummer moet voor allemaal makkelijker zijn geweest dan alle verschillende regimenten te onthouden met elk een andere afkorting. Door onder andere het verslag van Reserve-eerste luitenant N.W. Lingen (bataljons commandant, 1e bataljon), kan ik enigszins achterhalen waar Klaar zicht moet hebben bevonden tijdens de meidagen. 29 augustus 1939 was er een algehele mobilisatie. Bataljon 1 en 2 legerden zich in Delft, terwijl het 3e bataljon zich stationeerden in Den Haag. Het 2e Bataljon waren gelegerd in de gebouwen van de T.H. (Technische Hogeschool) te Delft. Daarna moesten ze dan toch echt naar de Grebbelinie. ’24 R.I. kreeg het vak toegewezen tussen Waal en de Rijksche Wetering. De frontlijn liep van steenfabriek ‘’De Boschoven’’ langs de Puiflijksestraat over Puiflijk naar Altforst (ca. 3,5 km).’ Luitenant Lingen kan het niet duidelijker aangeven in zijn verslag. ‘Aan deze stellingen heeft mijn Bataljon tot aan het uitbreken van de oorlog gewerkt. Ze waren toen echter bij lange na niet gereed. De mitrailleursnesten en groepsopstellingen waren praktisch klaar, de meesten echter nog niet gecamoufleerd. Geen enkele commandopost was echter gereed. Ook niet de Bataljonscommandopost. Deze was juist weer afgebroken, na voor 50% gereed te zijn gekomen, daar de artillerie bezwaar maakte tegen de eerst gekozen plaats. Op last van C. Brigade B toen 150 meter naar voren geplaatst. Luitenant Lingen geeft wel een aantal redenen waarom het werk nog niet klaar was, ze waren immers al een luttele aantal maanden bezig. Zo gebeurde het dat ze  ‘... stiefmoederlijk van materiaal (werden) voorzien.’ Ze waren immers maar een reserve brigade. (Wat opmerkelijk genoeg Luitenant Lingen begrijpelijk vindt.) Omdat ze maar een reserve brigade waren, moest het bataljon mensen afstaan voor allerlei bijzondere diensten. Er was gebrek aan grond. ‘Door de grondwaterstand kon praktisch niet worden ingegraven. Alles moest worden opgeworpen met aangevoerde grond. Ook hiervoor kwamen wij natuurlijk pas in aanmerking als de 1elinie niet in het gedrang kwam.’ Het verhaal over Bataljon 2 zet zich verder op 10 mei. Het 2e Bataljon bevindt zich in Druten. De manschappen werden stilletjes wakker gemaakt om half 3 ’s nachts, want de posities moesten worden ingenomen. 11 mei; de commandant krijgt het bevel om terug te trekken, dus begint om half 5 ’s nachts de afmars richting Tiel en later Eck en Wiel en als laatste in Amerongen met de auto naar Rhenen. Zo is het 13 mei als het 2e Bataljon aankomt, midden in de strijd. Ze moesten gelijk linksvoor van de defensielijn staan. Ze konden niet verder door 500 meter prikkeldraad, neergelegd door de Nederlanders. Toch moesten ze verder, maar kwamen toen onder vuur te liggen. Aan het einde van de dag moesten ze maar weer terug via Amerongen naar Vreeswijk. De hele nacht moest de afmars duren, tot ze eindelijk aankwamen in Vreeswijk. In de namiddag kreeg Kapitein Bartels te horen dat het Nederlandse leger zich had overgegeven.

Dat het op bij de Grebbelinie een zootje ongeregeld was blijkt uit de verklaring van dienstplichtig soldaat J.G.F. Charisius; ‘Ik weet niet precies waar het Duitse vuur vandaan kwam. De Duitsers waren goed gecamoufleerd, zodat zij niet te zien waren. ... Ik riep: ‘’Niet schieten, eigen troepen’’. Onze mensen vuurden op de Nederlanders, die voorwaarts gingen en niet op de Duitsers omdat deze laatsten niet waren te zien.’ Na de meidagen ging Klaar weer naar huis. Hij moet vreselijke dingen gezien hebben. Na de verslagen te hebben gelezen moge het duidelijk zijn dat het een wonder is dat Klaar dit heeft overleefd, samen met bijna alle andere leden van zijn compagnie. Er zijn maar 2 doden gevallen in 1-II-24R.I. tijdens de meidagen van 1940.

Terug in Den Haag pakte Klaar, net als vele anderen met hem, het gewone leven weer op. De Duitsers bezetten Nederland, maar er moest toch gewerkt worden. In de eerste jaren van de Duitse bezetting merkte de Nederlanders nog niet hoe vreselijk de Duitsers konden zijn. Nederland was een Arisch volk, net als de Duitsers, dus we hadden het vrij makkelijk. Klaar werkte verder bij de firma Bierhuizen en kreeg op 13 mei 1943 een derde zoon met zijn vrouw Wilhelmina. Ze noemden hem Karel. Klaar heeft niet lang van zijn kleine zoon mogen genieten. Al vanaf juli 1940 werden er regimenten van de krijgsmacht van Nederland opgeroepen om zich als krijgsgevangene te melden in Amersfoort. Op 31 mei 1943 kwam deze oproep ook voor het regiment Jagers. Klaar was het hier niet mee eens, hij werkte immers voor een stoffeerderij? Hij diende daarom een verzoek tot vrijstelling van krijgsgevangenschap in, maar helaas. De Duitsers zagen hem als soldaat daar hij vocht als Nederlands soldaat tegen de Duitsers in de meidagen. 

Op 20 augustus is hij dan toch aangekomen op de krijgsgevangenenverzamelplaats in Amersfoort, waar hij officieel gevangen is genomen door de Duitsers.  Vanuit daar is hij doorgevoerd naar verschillende kampen.Steeds meer mannen moesten zich melden in Amersfoort. Die oproep kwam ook voor Klaar Buitenhek op 31 mei 1943. ‘Het dienstplichtig en reserve-personeel beneden den rang van officier van het regiment jagers en alle inde jaren 1939 en 1940 uit dit regiment voortgekomen oorlogsonderdeelen, voor zoover bedoeld personeel in Mei 1940 in werkelijken militairen dienst was. Bedoeld personeel moet zich melden in het ‘’Wehrmachtslager’’ te Amersfoort, Zonnebloemstraat, en wel - ... degenen, die geboren zijn in de jaren 1914 tot en met 1904 op 4 juni 1943; op beide dagen tusschen 8 en 12 uur.’  Klaar had verschillende redenen om niet weg te gaan:  Hij had samen met Wilhelmina 18 dagen daarvoor een baby (Karel Buitenhek) gekregen.  Hij had ook nog 2 andere zoons die al 9 en 10 jaar oud waren, en hen achter te laten bij zijn vrouw, die geen werk had, zou betekenen dat ze niet rond konden komen. Misschien heerste daarnaast ook wel de angst dat hij niet terug zou keren, want niemand wist waar hij heen zou gaan. Dus schreef hij een brief om te vragen of hij toch niet in Den Haag mocht blijven. Hij hoopte dat hij bij zijn gezin mocht blijven onder de noemer ‘onmisbaar voor het werk’. Maar hij moest zich toch melden. Het afscheid moet bitter zijn geweest. Klaar meldde zich op 20 augustus 1943, wat ook meteen zijn gevangenname betekende. Over het kamp in Amersfoort is niet veel bekend. Er is her en der een foto genomen, maar ik denk dat het beste voorbeeld genomen kan worden van het verslag dat geschreven is door Willem van Leeuwen. Een man uit Den Haag, net zoals Klaar. Hij werd op 2 augustus 1943 gevangengenomen in Amersfoort. Dat is dus rond dezelfde tijd als Klaar. Hij verklaard in zijn dagboek; ‘In Utrecht overstappen in stampvolle trein naar Amersfoort. ... in een vrachtwagen naar ’s Wehrmachtslager Zonnebloemstraat, Amersfoort, met veel anderen. Daar ingeschreven en naar barak C gewezen. Om 13.00 uur aardappelsoep 0.5 liter. ...om 18.00 uur 1/5 Duitse kuch, waar ik de volgende morgen ook mee moest doen. 21.00 uur aantreden voor de bedden. In het kamp waren vannacht 1500 man. In de barak lagen we met bijna geen tussenruimte naast elkaar. Weinig geslapen.’ Het korte verslag geeft gelijk aan hoe hard het Duitse leger was voor de mannen. Er was niet veel eten, en er waren stipte tijden. Toch is het niet alleen maar kommer en kwel. ‘3 augustus 1943 ... Het Roode Kruis zorgt prima voor ons. O.a. brood, appels, palingen, enz. Koffie werd in houten emmers rondgebracht. ... We kunnen net zoveel telegrammen en brieven sturen als we willen. ... 21.00 uur appèl. Daarna zingen’’ Het klinkt bijna gezellig. Of Klaar het ook gezellig had, weet ik niet, maar een flink aantal mannen onder elkaar die samen zingen en op appèl staan, klinkt alsof ze in hun dienstplicht zaten. Natuurlijk moet er ook spanning zijn geweest, want niemand wist waar ze naartoe zouden gaan. Op 7 augustus, in de vroege morgen is Willem van Leeuwen weggevoerd naar Mühlberg. ‘Aantreden in groepen van 30 man. ‘’Mit gepachk’’ naar de goederentrein. 8 wagens. Inhoud wagen 1 houten emmer zand en 1 met water. 1 baal houtwol en voor ieder man een tros druiven. ... Koffers in ’t midden opgestapeld en met 30 man daaromheen plaats genomen. De goederen wagen had aan de bovenzijwand openingen met gaas ervoor. Toen we Amersfoort verlieten ... hadden we veel belangstelling van burgers. ... Bij Apeldoorn ... het zelfde. Daar stonden honderden mensen. ... Overal werden clandestien brieven de trein uitgesmokkeld.’ Pas in de ochtend op 9 augustus 1943 komt Willem aan in Neuburxdorf. In de regen moesten ze lopen naar het Stammlager Mühlberg. Die treinreis moet geen pretje zijn geweest. Het is natuurlijk niet te vergelijk met joden die in een trein werden gestampt met 250 tegelijk. Er was blijkbaar ruimte omdat ze rustig om de koffers heen konden zitten, maar er was geen privacy, en niet te vergeten, maar 1 emmer water in de augustusdagen voor 2 dagen met 30 man! Hoe heeft Klaar het gehad? Speelde hij de wijze vader en hield hij de andere mannen rustig? Was hij bedeesd en deed hij maar een beetje mee met de groep? Of zat hij misschien die tijd te bidden in een hoekje, afgezonderd van de rest? We zullen het nooit weten.

Duitsland was opgedeeld in verschillende delen, met elk een nummer. Het nummer van zowel Mühlberg (IVB), als Oschatz (IVG) en later ook Wistritz (IVC) is van allemaal IV (4). In dit deel van Duitsland, d.w.z. Saksen en Sudetenland, heeft Klaar zich tussen september 1943 en mei 1945 bevonden. Klaar is net zoals Willem naar Stalag IVB Mühlberg gevoerd.21 Willem komen we later weer tegen. IVB Mühlberg was het kamp waar de meesten krijgsgevangenen wel langs of doorheen zijn gekomen. Anderen hebben daar een langere tijd gezeten. Het valt te vergelijken met de doorvoerstroom die ook in Westerbork was. Men kwam, maar de meesten gingen ook weer weg. Zo ook Klaar, hij is er nog geen maand geweest. Hij is daar hoogstwaarschijnlijk ontluisd en daar is ook zijn foto gemaakt die op zijn krijgsgevangenenkaart staat. Vanaf dat moment was hij nummer 98348. Wat voor werk hij daar heeft gedaan, en of hij daar moest werken is niet bekend. De tijd die Klaar daar heeft doorgebracht was tijd voor de administratie om hem over te plaatsen naar een ander kamp, een andere, nieuwe plaats; Mobendorf, wat valt onder Stalag IVG. Tussen Leipzig en Dresden lagen veel verschillende werkplaatsen voor het Stalag IVG.22 Wat een veel gemaakte denkfout is, is dat de Krijgsgevangenenkampen (Stalags of Oflags) net zoals de concentratiekampen ook uit een kamp bestonden. Het tegengestelde is waar. Vaak verspreidt waren er verschillende kleine kampen met elk hun eigen taak en werk. Klaar Buitenhek zat ook in zo’n klein kamp. Stalag IVG had het hoofdkantoor in Oschatz, maar er waren maar een paar krijgsgevangenen die in het hoofdkantoor werkten. Klaar Buitenhek zat in het kamp in Mobendorf.23 Over Stalag IVG is bijzonder weinig te vinden, zeker ook in Nederland. Klaar Buitenhek kan op 3 verschillende plekken hebben kunnen werken in Stalag IVG; 1. Kazerne op de spoordijk Zschüllau, 2. Fa. Baumheier (chemische kleurstoffenfabriek), 3. Viltfabriek te Oschatz.24 Op 24 juni 1944, na 9 maanden in Saksen, is Klaar Buitenhek overgeplaatst naar Stalag IVC bij Wistritz.

Hoe moet dat zijn geweest? Het is juni 1944, je hoort geruchten over geallieerden, dat het einde vlakbij is, maar toch word je overgeplaatst naar een andere plek. Hopend dat het daar beter is dan waar je nu zat. Stalag IVC, lag in Sudetenland, wederom verspreid over de deelstaat waren er verschillende kleine kampen. Deze keer lag het hoofdkwartier in Wistritz. Nu heet dat Dubí en ligt dat in Tsjechië. Het kamp was bekend om de porseleinfabriek, maar in 1943 werkte hier minder dan 250 mannen. In het gehele kamp waren zo’n 23.000 mannen aan het werk, met als grootse onderdeel de Sudetenländische Treibstoffwerke in Brüx (ook wel Brün, nu Most in Tsjechië) waar synthetische benzine uit bruinkool werd gehaald. Bij dat onderdeel werkte ongeveer 8.000 mannen, waarvan 1.700 Nederlands. Als aanval op de Duitse brandstofproductie, werd er regelmatig aangevallen door de geallieerden tussen juli 1944 en april 1945. Precies in de periode dat Klaar daar was! Door twee bombardementen op 12 mei 1944 en 5 maart 1945 zijn zeker 28 Nederlanders om het leven gekomen.

Klaar kwam dus precies op het moment aan dat er eigenlijk geen fabriek meer stond. 12 mei 1944 is 60 km aan fabriek weggeslagen door het bombardement. Willem van Leeuwen, die we eerder al tegenkwamen bij het Wehrmachtslager Amersfoort, zat toen Klaar aankwam al een tijdje in Stalag IVC. Hij maakte het bombardement van 12 mei mee, en lag op 24 juni in het ziekenhuis vanwege de scherven in zijn been en hoofd. Hij verteld in zijn dagboek over een ander bombardement op 21 juli 1944; ‘21 Juli `44 Weer vooralarm. 1 minuut later groot alarm. Wij renden de fabriek weer af. Ik was samen met 2 Engelsen. We waren al kilometers ver van de fabriek. Toen het ,,flak” begon te schieten. Wij zochten dekking in de greppels voor de scherven. En opeens, jahoor, daar ging de eerste lading bommen naar beneden. Wij renden weer verder naar andere greppels steeds gebukt lopend. Weer `n lading bommen naar beneden. Nu zelfs nog geen 10 meter van me af, vielen er bommen. Een hoop aardkluiten en zand en stenen kreeg ik boven op me. Weer verder gerend, steeds verder van de fabriek af. Maar `t hielp niet. Want de hele streek werd gebombardeerd. De vliegtuigen hoorden we laag over ons heen brommen. Scherven gierden door de lucht. En nu kwam de derde aanval. De grond dreunde onder de geweldige slagen van de bommen. Het korenveld waar ik in lag vloog in de brand en ik wist niet, hoe vlug ik daaruit moest komen. granaatscherven en bomscherven vlogen rond. Nog `n vierde aanval kwam er `t regende bommen De fabriek was één zwarte rookwolk waar grote steekvlammen uit kwamen. Ik ben doorgerend de bergen in tot boven op de top. Daar `s middags liggen rusten. en `s avonds naar m’n lager terug. In Kopits in `n café `n paar glazen bier gedronken.’ Volgens van Leeuwen waren er vrijwel elke dag alarmen, of het nou een voor- of een groot alarm was. Ze kwamen op allerlei verschillende momenten, ook ’s nachts, waardoor hij zijn voeten kapot gelopen had. Wat opvalt is dat van Leeuwen, maar ook anderen weg kunnen rennen van het lager. Hij had immers een paar glazen bier gedronken in een café, en later weer waar hij verteld; ‘Na `n half uurtje was `t afgelopen en trokken we omlaag. We kwamen `n stelletje Engelsen tegen waar we `t laatste nieuws mee bespraken. Toen namen we afscheid van elkaar en gingen we naar `n Tjechisch huis, waar we vriendelijk werden ontvangen. We leschten onze dorst en hebben ons daar gewassen We hadden daar een prachtig gezicht op de gebombardeerde fabriek, Waarvan niets anders als grote zwarte rookwolken van te zien waren toen we weg gingen kregen we allen `n hoop rijpe sappige peren mee. Wij verder de berg af. In Tschausch hebben we `n biertje genomen in `n café en toen door de korenvelden naar `t kamp terug. Daar aangekomen, hoorden we al direct geen water en geen electriciteit. We zijn doorgelopen naar `t Franse kamp, waar we vier barakken in puin zagen liggen. Het brandde geweldig.’ Ook hier weer kan niet alleen van Leeuwen, maar ook wat andere mannen die hij onderweg tegengekomen was het kamp uit, rustig bij een Tsjechisch huis langs, waar ze ook hartelijk ontvangen werden, en daarna nog een biertje drinken. Daarbij kunnen ze ook nog eens naar andere kampen toe. Lagers waren vaak ingedeeld per nationaliteit, maar de mannen hadden de vrijheid om rond te lopen bij verschillende lagers. Niet alleen waren ze vrij om te gaan en staan waar ze konden, tijdens en na een bombardement, maar er waren ook feestavonden; ‘27 Aug `44. Er is niet te merken dat er `n bom bardement is geweest. Want de jongens waren in `n uitstekende stemming. vanavond werd er door `n Hollandse Jazzband muziek gegeven, dat afgewisseld werd door Franse Chansoniers. Op `t laatst werden er daverende Hollandse succesliedjes gezongen door ons allen’ en ook ‘31 Aug.`44 Verjaardag v. H.M. Koningin Wilhelmina Slecht weer. Daardoor geen sport en feestelijk heden. Maar die zijn uitgesteld.’ Ook de omwonenden ontvingen de krijgsgevangenen bijna feestelijk als er weer een bombardement was. Verscheidene malen valt er terug te lezen dat ze appels, peren, brood, aardappels en soep kregen. Zelfs om mee te nemen! De krijgsgevangenen gaven ook dingen terug, ze kregen tenslotte pakketten van het Rode Kruis met allerlei luxueuze producten. Ze gaven bijvoorbeeld sigaretten of chocolade. Uit het interview met Karel kan ik opmaken dat Klaar een bedachtzame man moet zijn geweest. Ik vraag me af of hij netjes in de bunker zat af te wachten tot het bombardement over was, of dat hij misschien ook wegrende, naar andere lagers toe ging en kennis heeft gemaakt met de Tsjechische omwonenden. Wetende dat er kerkdiensten waren (al waren ze soms Rooms Katholiek, terwijl Klaar Protestant was), kan ik met zekerheid zeggen dat hij die heeft bijgewoond. Een gelovige man, die zo veel vertrouwen kan halen uit het geloof, heeft wel gebeden, uit de bijbel kunnen lezen, en het woord van God gehoord van een dominee of priester.

Vanaf december 1944 kwamen er steeds meer berichten binnendruppelen over het eind van de oorlog, maar ondanks de goede berichten vanuit het westen en oosten, kwamen er ook steeds vaker colonnes mensen voorbij, vooral Engelsen, Polen en Russen. Volgens van Leeuwen zijn het wandelende skeletten. Ze hadden vaak al meer dan 500 kilometer gelopen vanaf het front. Ook het eten wordt steeds minder, de rantsoenen steeds kleiner, waardoor iedereen, krijgsgevangenen en bewakers, erg prikkelbaar zijn. Hele dagen wordt er aan niets anders gedacht dan aan eten. Vanaf eind maart wordt het eten weer beter en kunnen de pakketten gekregen uit Amerika, Engeland, Argentinië, etc. weer door de linies komen. Ondanks dat het eten weer beter wordt in de kampen, zijn er steeds meer alarmen. Het is moeilijk slapen voor de krijgsgevangenen met de hele nacht groot alarm. Daarnaast gaat het vaak overdag ook nog door. In het dagboek van Willem van Leeuwen is duidelijk de goede spanning te merken van de verwachting van de geallieerden. Bijna elke dag schrijft hij in zijn dagboek hoe ver de Amerikanen en de Russen nog zijn. Er wordt over de bezetting van Berlijn vaak negatief gesproken. Rusland en Amerika kwamen in een wedstrijd terecht wie het eerst Duitsland zou overnemen, wie de grote winnaar zou zijn van deze oorlog. Ondanks die negatieve houding (er waren immers nog zo veel mensen die bevrijdt en geholpen moesten worden), is in het dagboek van Willem vooral blijdschap te lezen als ze weten dat Berlijn bijna helemaal is ingenomen. De grote bezetter is een grotere vijand dan de Duitse bewaker die naast ze staan. En dan is het zover; de bevrijding van Stalag IVC. ‘Vrijdag 4 Mei `45 De toestand wordt steeds spannender. Hitler, Musolini, Roosevelt en veel anderen dood. De oorlog is bijna afgelopen ... Zaterdag 5 Mei`45 gewerkt. Zondag 6 Mei `45 H.Mis en hf. veel geruchten over capitulatie. Maandag 7 Mei `45 gewerkt. `s Nachts om 12 uur door Dinsdag 8 Mei `45 radio bekend gemaakt. capitulatie in `t Westen. De rest van de pakketten uitgedeeld.

Niet meer gewerkt. Veel kanongebulder van de Russen want die vechten door. `s Morgens werd het schieten steeds erger. De Duitse militairen vluchten allen weg. De vertrouwensman wilde ons om 9 uur weg laten gaan. Maar de Russen kwamen bij Obergeorgenthal al over de bergen heen. Zodat de meesten al om 8 uur vertrokken.’28 Willem van Leeuwen is over zijn vertrek uit Stalag IVC heel kort. Hij vertrekt. Klaar bleef tot de Russen er waren. Wat hij misschien beter niet had kunnen doen.

De informatie die er is over Klaar na de bevrijding is gering. Weinig feitelijke bronnen, maar gelukkig is er wel het interview met Karel. Hij kon mij veel informatie geven over Klaar na de bevrijding, en na de oorlog. ‘De bevrijding is eindelijk daar’ – moet ook Klaar gedacht hebben. Russen komen het kamp binnen en moeten een zootje ongeregeld hebben gezien. De fabriek was immers al maandenlang het doel van bombarderende vliegtuigen. Geen Duitse bewaking, gevangenen die weggingen, of doelloos rondliepen. De Russen namen snel de touwtjes in handen en zagen dat ze de mannen te eten moesten geven. Er werd goede soep uitgedeeld.De Russen maken ook een duidelijk overzicht van de mensen die er nog zijn, en die al weg zijn, maar de papieren van Klaar zijn weg, verbrand in een bombardement, of zoekgeraakt. Dit verklaard ook waarom er bij de bron over krijgsgevangenen niets over Stalag IVC bekend is. We weten wel zeker dat Klaar daar was, door zijn krijgsgevangenenkaart. Het is dus goed mogelijk dat zijn papieren weg waren. Door zijn blonde, arische uiterlijk verdenken de Russen hem, om toch een Duitser te zijn. Ze moeten hem ondervraagd hebben, maar de communicatie was moeilijk. Duits verschilt niet veel van het Nederlands als je vanuit Rusland, als soldaat komt, en je de meeste Duitsers het liefste wil vermoorden. Hoe Klaar bewezen heeft dat hij toch Nederlander is (een tolk, misschien zijn er toch papieren gevonden), weten wij niet. Gelukkig lieten de Russen hem gaan. Van een verslag van Sergeant Wim Jumpertz kunnen we lezen hoe de bevrijding liep voor de mensen die in het kamp bleven; ‘Op het einde vn de oorlog zijn we bevrijd door de Russische troepen. Een soort Kozakken op paarden. We waren vrij, konden het kamp in en uit en kregen van de Russen stevige kost te eten. Zelf stroopten we de omgeving af en zochten in de veelal verlaten boerderijen naar voedsel. We hebben varkens en kippen geslacht, eieren geraapt en voorraadkelders geplunderd. In een van deze lege boerderijen hingen nazi’s, die daar opgehangen waren. We hebben ze losgesneden en licht begraven zodat ze ook weer snel terug gevonden zouden worden en we hebben de autoriteiten in het kamp hierover ingelicht.’ Ook heeft hij de terugreis omschreven. Ik verwacht dat Klaar Buitenhek zich bij die groep moet hebben gevoegd. ‘De terugreis was ook niet vlekkeloos verlopen. Na ongeveer drie weken waren we als groep van 1.200 Nederlanders als laatste kampbewoners overgebleven. Alle andere gevangenen waren eerder gerepatrieerd. Van Mühlberg zijn we naar Torgau gelopen en van Torgau zijn we door Amerikanen, staand met ongeveer 50 man in vrachtauto’s opgehaald en naar Leipzig gebracht. Vandaar met de trein westwaarts, met een flinke omweg naar Metz, in Metz zijn we eerst nog ontluisd en daarna via Brussel naar Weert en van Weert verder met auto’s naar huis.’ Dit geeft een goed inzicht wat voor route de mannen hebben afgelegd om weer thuis te komen. De terugreis moet meer dan een week geduurd hebben. Het moet niet makkelijk zijn geweest voor Klaar om de reis af te leggen. Tijdens een van de bombardementen is hij geraakt door waarschijnlijk granaatsplinters en hij had een groot gat in zijn been. Toch is hij pas in Brussel verzorgd door het Rode Kruis.

Ondertussen in Nederland ziet Wilhelmina steeds meer mannen terugkeren uit krijgsgevangenschap. Ze heeft geen melding gehad dat haar man is overleden, dus zit ze met smart te wachten tot hij weer terugkomt. Eten was er toen nog niet veel, en nog steeds op de bon. Ze heeft haar oudste zoons weg moeten laten gaan naar het verre noorden, op een boerderij waar wel nog eten was. Zelf heeft ze eten uit haar mond gespaard om haar jongste zoon, Karel, maar te eten te kunnen geven. Ze heeft tochten gemaakt naar Utrecht lopend, om maar iets van eten te krijgen, maar daar hadden ze ook niets. Ook na de bevrijding waren haar oudste zoons nog weg, die kwamen pas een jaar later terug. Ik kan me de angst zelfs met moeite niet indenken die zij moet hebben gehad. Om toch hoop te houden dat hij nog leefde, was haar angst vooral dat Klaar er vandoor was gegaan met een andere vrouw. Ze besloot naar Brussel te gaan, naar het Rode Kruis om na te vragen waar haar man was. Op de 3-jarige Karel wordt zolang gepast door opoe (moeder van Wilhelmina). Ondertussen wordt Klaar verzorgd door het Rode Kruis aan zijn wond in Brussel. Hij weet wel dat er al veel mannen thuis moeten zijn gekomen, maar ondanks dat hij zijn best doet om snel terug te komen, moet zijn wond eerst verzorgd worden. Hij wordt ontslagen uit het ziekenhuis en via Weert moet hij terug naar Den Haag. Hij is al onderweg naar Weert, of al in Weert als Wilhelmina aankomt in Brussel. Ze vraagt naar haar man, maar het Rode Kruis kan haar niets anders dan vertellen dat hij al weer weg is, en dat ze thuis op hem moet wachten, dus gaat ze weer terug. Wilhelmina gaat niet via Weert, dus is veel sneller thuis dan Klaar. Dan komt hij toch terug, misschien op een avond, misschien overdag. Karel kan zich het moment niet meer herinneren dat zijn vader terug is gekomen. Wel weet hij nog goed dat hij ’s nachts naar het bed van zijn moeder ging, zijn vader in dat bed vond en riep naar opoe dat er een vreemde man bij zijn moeder in bed lag. Karel moet erg blij zijn geweest om weer thuis te zijn, bij zijn vrouw, bij de baby, die ondertussen al een flinke kleuter was en na een paar maanden ook weer zijn andere zoons te kunnen zien. De huisarts heeft hem geholpen het gapende gat in zijn been te kunnen dichten, en na een aantal maanden kon hij weer aan het werk. Hij pakte zijn oude baan bij de firma Bierhuizen weer op als stoffeerder, maar ondanks dat alles weer leek zoals het was, was alles erg anders na de oorlog. 

We hebben kennisgemaakt met Klaar Buitenhek. We hebben vooral kennisgemaakt met hem in de Tweede Wereldoorlog. We hebben hem leren kennen als dienstplichtige, militair, krijgsgevangene, maar dat is maar een klein deel van hem. Er moet niet vergeten worden dat hij ook een leven heeft geleefd voor en na de oorlog. Hij was een stoffeerder, vader, echtgenoot, kind, buurman. Een man zoals wij allemaal wel kennen. Voor Klaar Buitenhek begon het in de meidagen van 1940, toen hij op de Grebbeberg moest vechten als reserve van het Nederlandse leger. Wat heel spannend moet zijn geweest, zeker omdat hij nog nooit eerder in een oorlog heeft gevochten. Daarbij heerste er ook algemene spanning, daar het toch al wat jaren was geweest sinds de laatste oorlog in Nederland. Gelukkig heeft Klaar met de meesten van zijn compagnie de meidagen overleefd. Dan is er een periode waarin Nederland zich heeft gecapituleerd en alles, voor zo ver dat mogelijk was, terug ging naar normaal. Pas in 1943 moet Klaar zich melden in Amersfoort, waar hij gevangen werd genomen. Vanaf Amersfoort heeft hij drie krijgsgevangenenkampen gezien. Eerst Stalag IVB waar hij een maand verbleef. Daarna is hij doorgestuurd naar Stalag IVG, waar hij negen maanden werkte voor het Derde Rijk. Het laatste krijgsgevangenenkamp waar Klaar was, was Stalag IVC. Daar werd bruinkool omgezet naar brandstoffen. Dit was dan ook de reden waarom de fabriek veel had te lijden onder de bombardementen van de geallieerden. Als er eenmaal brand was, vernietigde de fabriek zichzelf. Klaar heeft in het krijgsgevangenenkamp gezeten tot de geallieerde Russen het kamp bevrijdden. Vanwege het Arische uiterlijk van Klaar hebben de Russen hem nog kort verdacht een Duitser te zijn, maar al snel mocht Klaar naar huis. Na een lange reis naar België met de trein, vrachtwagens, auto’s en de benenwagen, zijn de laatste gevangenen, de Nederlanders, aangekomen in Brussel. Hier ving het Rode Kruis ze op, werden ze gecontroleerd op ziektes en dergelijke. Daar werd ook Klaar behandeld omdat hij gewond was geraakt in een van de bombardementen. Via Weert mocht hij terug naar huis. Waar zijn vrouw Wilhelmina niet meer kon wachten op haar man. Ze vertrok naar België waar Klaar al weg was, en was weer terug voordat haar man terug was in Den Haag. 

Hoe heeft Klaar de Tweede Wereldoorlog overleefd? Klaar was een bedeesde man, die zich waarschijnlijk door de stroom liet meevoeren. Toen het Nederlandse leger hem nodig had in de meidagen, heeft hij gevochten voor zijn land. Toen hij zich moest melden in Amersfoort ging hij niet zonder bezwaar te tekenen, maar zelfs zonder Ausweis, dook hij niet onder, maar meldde zich. Door onopvallend te zijn (en misschien wel gehoorzaam) heeft hij drie krijgsgevangenenkampen overleefd. De meesten zullen het overleven van Klaar waarschijnlijk toeschrijven aan het lot, toeval, of stom geluk, maar als ik me bedenk hoe Klaar zelf antwoord had gegeven op deze vraag, had het antwoord waarschijnlijk geweest: ‘Door de genade van God’.


Louisa Buitenhek