06-01-11

6 januari 2010 - Shooting dogs (2)


Er zit maar een nacht tussen gisteren en vandaag

“In Bosnië dacht ik bij elke dode blanke vrouw: dat had mijn moeder kunnen zijn. Hier zijn het alleen maar dode Afrikanen”, zegt een journaliste in de film Shooting Dogs. Ze laat haar cameraman een gezin filmen dat is vermoord op straat. Een klein kindje ligt onder het bloed op de stoep alsof het de normaalste zaak van de wereld is. “Dit gaan ze toch niet uitzenden, maar film toch maar.” Ik schrik van haar uitspraken, maar leer eigenlijk al ruim twee jaar lang dat het zo werkt binnen de journalistiek. Het aantal doden delen door het aantal kilometers, dat is de nieuwswaarde.

Tijdens de film beweeg ik niet. Vol afschuw kijk ik naar de beelden. De beelden die laten zien hoe een schooltje dat draait op vrijwilligerswerk, ineens een vluchtelingenkamp wordt met VN-militairen. De militairen mogen geen vrede tussen de Hutu’s en Tutsi’s afdwingen, maar moeten ‘m bewaren. Niet schieten, tenzij er op ze geschoten wordt. Terwijl er zo’n 2500 Tutsi’s achter de hekken verwachten dat ze veilig zijn bij de VN, wordt de groep Hutu’s buiten het hek groter. Met machetes, fluitjes en welgemeende grijnzen staan ze dansend klaar om aan te vallen. Buiten de hekken is dood, binnen de hekken hoop. De mensen die proberen te vluchten, komen niet eens 100 meter buiten de hekken. De machetes zijn te snel voor ze; ze overlijden. Dus blijft de rest achter de hekken hoop houden, in plaats van de dood tegemoet te rennen.

Het hele probleem tussen de Hutu’s en de Tutsi’s heb ik eigenlijk nooit begrepen. Het is blijkbaar een diepgeworteld haatgevoel, waar ik niet bij kan komen. Wel weet ik dat het vliegtuig waar de Rwandese president in zat werd neergeschoten, waardoor de president om het leven kwam. Binnen 24 uur stond het hele land op zijn kop, en begon de nachtmerrie die we achteraf met het woord ‘genocide’ beschrijven. De genocide waar ongeveer 800.000 Tutsi’s en gematigde Hutu’s werden vermoord.

2500 van die mensen probeerden te blijven leven en schaarden zich achter de geweren van de VN. Maar, die mogen niet schieten. Het woord genocide wordt op dat moment door de VN niet in de mond genomen, dus schieten is uit den boze. De Fransen, die de plek moeten evacueren, nemen zelfs in eerste instantie alleen de veertig Europeanen mee.
Kort daarna moet de VN zich terugtrekken tot aan het vliegveld. Terugtrekken? Al die mensen aan hun lot overlaten? Ja.

De militairen trekken zich terug, en kort daarna rennen de Tutsi’s op de school af. “Aan het werk!” wordt er geroepen. Werk. Het vermoorden van je landgenoten is werk. Van de 2500 mensen die in die school zaten, hebben er maar een paar deze hel overleefd, bijvoorbeeld door zich onder dode familieleden te verstoppen. De rest is dood. Net als de 800.000 anderen.

In mijn hoofd probeerde ik de Tweede Wereldoorlog in het verleden te stoppen. Ik denk omdat ik dan iets meer vertrouwen kan hebben in de mensen van nu. Zoiets kan toch niet meer gebeuren. Maar zeventien jaar geleden gebeurde er óók iets vreselijks. En met alle media en alle kennis, kunnen we er toch niets aan doen. Willen we er niets aan doen, omdat het ‘maar Afrikanen zijn’ en we er toch niets van snappen. Of kan het wel? Had de VN een verschil moeten maken? Had de VN een verschil kúnnen maken?

Misschien keek ik met zo’n verschrikking naar deze film omdat hij laat zien dat haat niet in het verleden ligt. Haat tussen bevolkingsgroepen, onbegrijpbare en ongrijpbare haat tussen mensen, is nu. Het is gisteren, tien jaar geleden, 65 jaar geleden, maar ook vandaag en morgen. Zelfs met deze kennis, kunnen we daar soms niets aan doen.

Daphne Blokhuis