12-01-11

11 januari 2011 - Veteranen en Gastsprekers (2)


Mijn eigen Suzuki

“We moesten twee keer per dag geteld worden. Vaak duurde dat twee uur, want de Japanners konden niet tellen dus dat moest steeds opnieuw. En maar buigen voor de keizer ondertussen.” Jaap ter Marsch, die nu als volwassen man voor ons staat, was twee jaar oud toen hij met zijn moeder in een kamp gezet werd. Cideng, in Jakarta, was de plek waar hij zou opgroeien, samen met tienduizend vrouwen en kinderen. Gevangen in een overbevolkt wijkje, met 25 Japanners om de boel in de gaten te houden. Zijn vader? Die moest in het mannenkamp aan het werk.

Alle dingen die Jaap vertelt, komen deels uit zijn herinneringen en deels uit het dagboek dat zijn moeder bijhield. “Voor mij een enorme bron van informatie.” Bijzonder, zo’n dagboek. Vooral omdat niemand in het kamp pen en papier mocht hebben. Bij de mannen werd je dan geëxecuteerd, vrouwen werden hard geslagen. In zulke omstandigheden groeide ‘Jaapie’ op. “Ik weet nog dat er een hele grote militair op me af kwam omdat ik, eigenwijze Jaapie, niet boog voor ze. Alleen deden die grote militairen niks tegen kinderen. Nee, mijn móeder werd geslagen.”

Eigenlijk heb ik er nooit echt bij stilgestaan wat de gevolgen waren voor kinderen die in zo’n omgeving omgroeiden. Volwassen Jaap drukt ons met onze neus redelijk op de feiten. “Ik heb nooit in klas 1, 2, of 3 gezeten. Ik kan dus niet samenspelen, of binnen de lijntjes tekenen.” Niet wetende of deze opmerkingen sarcastisch waren of niet, ze lieten me nadenken. “Omdat je nooit naar ‘buiten’ mocht, groeiden we op met het idee dat de buitenwereld ontzettend bijzonder was. Ik weet nog dat er iemand het kamp uit mocht en teleurgesteld terugkwam. Ze had geen krokodillen of walvissen gezien. Het enige wat we van de wereld wisten, was hetgeen we in boeken hadden gelezen.” Tsja, over dat soort effecten had k eigenlijk nooit nagedacht.

Hoe volwassen Jaap het verhaal vertelt over kleine Jaap, is bijzonder. De goedgebekte volwassen Jaap klinkt soms alsof hij het verhaal vertelt van een onbekende kleine jongen die toevallig ook Jaap heet. Met zijn overhemd netjes in zijn broek vertelt hij nuchter dat hij na zijn bevrijding een vreemde man had ontmoet. “Dat was mijn vader. Die kende ik niet.” Dat is natuurlijk ontzettend raar voor zo’n kind. Je wordt op je tweede gescheiden van je vader, ziet hem na vier jaar weer terug en herkent hem niet. “Mijn moeder vertelde mij: ‘Dat is je vader.’ Ik heb ‘m een hand gegeven.” Nooit meer is het contact met zijn vader goed geweest. “Mijn zus werd later geboren en heeft een onwijs goede band met die man. Ik heb echter vele jaren in hetzelfde huis als mijn ouders gewoond.” Aan de manier waarop hij de laatste zin formuleert, kun je horen dat hij een hele andere relatie heeft met zijn ouders dan de meeste mensen vandaag de dag. Maar zelfs dit vertelt hij met enige afstand tot het onderwerp. Misschien een vorm van zelfbescherming? Of was hij te klein om zich alles te beseffen? Of, zou hij het verhaal al zo vaak verteld hebben dat hij vanzelf afstand neemt van het verhaal?

Hoe dan ook, volwassen Jaap sloot af met een speeltje. Hij pakte een klein dingetje uit een tas, waarvan ik niet goed kon zien wat het precies was. “Dit, dames en heren, was mijn Suzuki.” Gemaakt van een potloodje, een elastiekje, een klosje en wat kaarsvet, heeft kleine Jaapie een autootje gemaakt. Draai je het potloodje een paar keer rond en zet je het speeltje op de tafel of de grond, dan gaat hij rijden. “Ik heb er vroeger best vaak mee gespeeld, maar vind het nu nog leuker om het voor te doen.” En terwijl iedereen kijkt naar het langzaam bewegende autootje, kijk ik naar Jaap. Ineens zie ik niet meer de grappige pientere volwassen Jaap, maar de kleine Jaapie. Dolgelukkig met zijn speeltje.

Daphne Blokhuis