12-01-11

11 januari 2011 - Veteranen en Gastsprekers (3)


Sterren, bommen en politiek

“We gaan een uurtje Afghanistan doen!”, is het eerste wat tegen ons wordt gezegd als we in het lokaal zitten. Fred G. M. Janssen, inclusief groen pak met vele plaatjes, sterren, streepjes en andere fratsen, is een kapitein die op verschillende missies is geweest. Naar Sinaï, Bosnië-Herzegovina en meerdere keren naar Afghanistan. Toch vertelt hij een hele andere kant van zijn verhaal, bijvoorbeeld hoeveel veteranen Nederland heeft. Hij vertelt: “Honderd veteranen per week ‘vallen om’ door natuurlijk verloop.” Een redelijk statische manier om te zeggen dat er dus veel mensen die verschillende oorlogen hebben meegemaakt, oud worden en sterven.

De powerpoint van Fred vertoont een kopje: “Hoe herken je een veteraan?”, alsof het een bepaalde hondsoort is met opvallende kenmerken. Maarja, militair zijn is voor hem normaal. Voor mij niet. Als hij vertelt dat ‘hij ook wel eens iets ergs heeft meegemaakt’, schrik ik van zijn verhaal. “Er waren twee Talibanstrijders die zichzelf hadden opgeblazen. Daar zat ik dan met 17 doden om me heen. Tsja, daar word ik wel eens wakker van, ja.” Alsof het de normaalste zaak van de wereld is, probeert hij uit te leggen dat er veel militairen zijn die langdurige hulp nodig hebben. Ja, ik kan me voorstellen dat je daar af en toe wakker van wordt, ja. Ik zou er überhaupt niet van kunnen slapen.

Langzaam aan gaat zijn verhaal van veteranen, die hier overigens veel minder respect krijgen dan in bijvoorbeeld Amerika, over in een verhaal over zijn missie in Afghanistan. De missie die Nederland redelijk abrupt ten einde liet komen. “Als je in Afghanistan bent heb je het gevoel dat je in de Middeleeuwen rondloopt.” Een uitspraak waar ik me wel iets bij voor kan stellen. Fred vertelt over de Dutch Approach: eerst praten, dan schieten. Blijkbaar zijn de Nederlandse militairen daar veel beter in dan de Amerikaanse.
En die aanpak was belangrijk in Afghanistan. Alleen de politiek die besloot dat er militairen heen moesten, besloot later dat ze weer weg moesten. En daar was Fred het, zo vertelt hij, niet mee eens.

Toen hij met een missie mee was, hadden ze een school gebouwd in Afghanistan, speciaal voor meisjes. De Taliban was het daar niet mee eens, en voor ze het wisten waren veertig meisjes overleden. Het drinkwater was vergiftigd. “Zo werkt de Taliban dus. De Al-Qaeda ook trouwens.” Even moet ik denken aan het goed-fout verhaal: natuurlijk is de Taliban slecht. Maarja, dat denken zij ook van onze militairen. En op die manier gaan veertig onschuldige meisjes dood.

Ik heb geen idee of het goed is geweest dat er troepen naar dat land zijn gegaan.
Andere cultuur, andere taal, ontzettend veel barrières. Bovendien geeft Fred aan dat we de oorlog nooit konden winnen. In Nederland hebben we 55.000 politiemensen om de orde te bewaren. Afghanistan is vijf keer groter, en daar liepen 61.000 militairen rond. “Maar verliezen zouden we ook niet doen. Wij hebben bijvoorbeeld vliegtuigen, die hebben zij niet. Maar dan gaan ze met bermbommen werken, en die maken geen verschil tussen een militair of een burger.”

Tegen het eind van de les begint Fred dingen te relativeren. “Misschien is het ook wel goed dat we daar zijn weggegaan. Dat denk ik, als ik diep in mijn hart kijk. We hadden een klein leger, ons materiaal was moe, maar je moet niet vergeten dat het thuisfront ook moe werd. Mijn kinderen deden het slecht op school, mijn vrouw kon CNN niet meer uitzetten en elk telefoontje kon ‘het’ telefoontje zijn. Zo’n oorlog is voor het thuisfront misschien nog wel zwaarder. Dus is het goed dat ik weer thuis ben. Ik had het alleen zo graag beter over willen dragen. Nu zijn we halsoverkop weggegaan.”

Toen Fred later terugging naar Afghanistan, zag hij helemaal niks meer van de Dutch Approach terug. Dat krijg je, als je jouw manier van werken niet over kan dragen aan de mensen die jouw plek innemen. Ik weet nu in ieder geval, dat ik helemaal niets meer weet. Hadden ze dan niet moeten gaan? Hadden ze moeten blijven? Hoe lang dan? Hadden ze dan meer verschil kunnen maken? Kunnen westerlingen überhaupt verschil maken in zo’n ‘Middeleeuws’ land? Ik weet het niet. En volgens mij, weet Fred het ook niet. En als een kapitein, met sterren, strepen, een goed stel hersenen en bovendien ervaring het al niet weet, hoe kan de politiek het dan weten?

Daphne Blokhuis