08-12-10

8 december 2010 - Andere achterhuizen en Brievenproject (2)



Kleine grote mensen

Mijn broertje van elf heeft de afgelopen anderhalf jaar al zijn geld opgespaard. Gisteren was de dag dat hij van dat geld een Playstation 3 kon kopen.
Helemaal van zichzelf, voor zichzelf. Wat wordt hij groot, dacht ik toen.
Omdat we in leeftijd acht jaar verschillen, heb ik in mijn hoofd nog het gevoel dat hij net geboren werd. Dat mijn vader trots zijn hoofd om mijn slaapkamerdeur stak om te vertellen dat ik een broertje had gekregen. Zo klein, maar toch al zo groot.

Ik kan me haast niet voorstellen dat er kinderen zijn zoals mijn broertje, die nog niet volwassen willen zijn en niet hoeven te zijn, in zo’n ruwe omgeving opgroeien als de (joodse) kinderen in de Tweede Wereldoorlog dat hebben gedaan.
Vandaag bespreken we twee projecten, ‘Andere Achterhuizen’ en het brievenproject ‘Niet van gisteren’. Wat me echter het meest bijblijft, is de focus op kinderen.

Jochanan Belinfante, een man die meedoet aan het brievenproject, staat met een keppeltje op voor ons. Nogal recht voor zijn raap vertelt hij kleine stukjes van zijn levensverhaal. Hij is in 1936 geboren, heeft een Deense vader een een joodse Nederlandse moeder. Omdat het kind en de moeder destijds de nationaliteit van de man aan moesten nemen, werd hij Deen. Dat is zijn redding geweest. “Anders waren jullie eerder uit vandaag want dan was ik allang dood.”

Toen hij met zijn ouders na de oorlog terugkeerde naar het thuisfront, hadden alleen de zus van zijn moeder en een oom de oorlog overleefd. “De rest van onze grote familie was vermoord. Andere mensen zeggen wel eens dat ze zijn weggehaald en nooit meer zijn teruggekomen, maar het woord vermoord laat beter zien wat ik er mee bedoel.”

Moord. De kinderen van toen groeiden op in een tijd waarin moord, pijn, verdriet en angst normale zaken waren. Het project ‘Andere Achterhuizen’ vertelt het verhaal van verschillende joodse mensen die ondergedoken zaten. Die zijn nu oud, maar waren in de oorlog nog klein. Kinderen. Kinderen die ondergedoken moesten zitten. Die soms geslagen werden als hun haren werden gewassen, die dagenlang niet naar buiten mochten omdat het gevaarlijk was. Die hun eigen naam niet meer mochten gebruiken. Andere gewoontes moesten aanleren. Weg moesten van hun ouders, niet begrijpend dat dat vaak een daad van liefde was. Eenzaam, getekend voor de rest van hun leven, brachten ze de oorlog door. Sommigen troffen het beter dan anderen, maar er valt niet te ontkennen dat veel van de kinderen dingen hebben meengemaakt die voor een volwassene al te heftig zijn. Als ik met dit in mijn achterhoofd kijk naar mijn jongere broertje, word ik even stil.

Toen Jochanan weer thuis kwam en op een dag uit het raam naar beneden keek, zag hij zijn buurjongetje met zíjn spoortreintje spelen. Toen hij met zijn moeder naar beneden ging om te vragen of hij zijn treintje terug mocht hebben, kreeg hij als antwoord: “Misschien was het ooit van u, nu is het van mij.”
De oude, goed gebekte Jochanan die nu voor ons staat, verandert voor mijn ogen ineens in het kleine jongetje. Het kleine jongetje dat met zijn eigen treintje wil spelen, nadat hij een groot deel van zijn familie is kwijtgeraakt. Het kleine jongetje dat, evenals vele andere kleine kinderen, een volwassen oorlog meemaakte. En dat kleine jongetje zei vervolgens: “Ik kan dit verhaal wel op vijftien verschillende manieren vertellen, maar nooit zullen jullie begrijpen hoe dat voelde.”

Waarschijnlijk heeft hij gelijk. Ik kan het me niet voorstellen. En mijn broertje, die nu agressief met zijn nieuwe playstationcontroller gooit omdat zijn nieuwe speeltje niet doet wat hij wil, waarschijnlijk ook niet. Een speelgoedtreintje. Een klein speeltje. Zo betekenisvol. Voor Jochanan, maar nu ook een beetje voor mij.

Daphne Blokhuis