17-11-10

8 - 13 november / Bergen Belsen Buchenwald (3)


Weimar
Op woensdag 10 november vertrok onze groep richting Buchenwald. Een rit die niet te onderschatten is. De afstand is circa 300 km en daarbij wordt niet overdreven gebruik gemaakt van de snelweg. De binnenwegen leveren een paar mooie plaatjes op in het heuvelachtige landschap, in de richting van de voormalige DDR. Op het einde van de middag arriveren we in Weimar, de stad die door Hitler ooit als zijn favoriete stad is bestempeld. Bij binnenkomst in Weimar was ik hierover verbaasd. De stad zag er bedompt uit door het ene na het andere grauwe blok beton. De flats stonden er troosteloos bij en het feit dat we in het donker aan kwamen heeft hierbij geholpen. Later in de week zou een bezoek aan de stad verandering brengen in dit beeld. Weimar heeft een mooi oud centrum met een o.a. een prachtig stadhuis en vele mooie gebouwen.

Buchenwald
Na in Weimar wat te hebben gegeten, vervolgden we onze weg naar Buchenwald. Vanuit Weimar is dat voornamelijk heuvel op met een afstand van enkele kilometers. In de beginperiode van het kamp Buchenwald was dit ook de afstand die de gevangenen van het kamp moesten afleggen.
Later zou om praktische redenen een spoor worden aangelegd naar het kamp.

De volgende dag begon de rondleiding op het kamp bij de SS kazerne waar we overnacht hadden. Vandaar liepen we naar de plaats waar de huizen stonden van SS mannen, waaronder kamp- commandant Koch. In de beginjaren van het kamp was hij de kampcommandant, maar zou later vanwege corrupte praktijken op een zijspoor belanden en zelfs worden doodgeschoten. Koch was getrouwd met Ilse. Een gemene vrouw die je zelfs tegenkomt in Geschiedenis tijdschriften waarin lijsten worden gepubliceerd getiteld ‘meest kwaadaardige vrouw ooit’. Zij had met haar sadistische trekjes dan wel wrede overtuigingen een grote invloed op haar man. Even verderop bevond zich het valkenhof, waar voor amusement valken werden losgelaten. De bewoners van nabijgelegen dorpen of van Weimar lieten het niet na om deze discutabele plek te bezoeken. In de begin jaren 60 zou niet ver van de Valkenhof, in het bos, een groot massagraf worden gevonden. Een lijkendrager zou de plek hebben aangewezen en na opgravingen bleek de tip van de voormalig lijkendrager van grote waarde te zijn. De vondst was echter schokkend.

Op de flanken van de Heuvel waarop Buchenwald ligt, vervolgen we onze weg en komen uit bij de z.g. steengroeve. Een plaats op de helling van de heuvel die door arbeiders is uitgegraven. De stenen werden door de gevangenen op een grote kar gelegd, waarna zij zelf deze kar heuvel op moesten zien te trekken. Dit werk is zwaar, zelfs als je een gezonde kerel bent. In het geval van de gevangenen moet dit een ramp zijn geweest. Ze waren door hun gevangenschap ernstig verzwakt, ze hadden weinig bescherming tegen het weer en ze waren bovendien omringt door Kapo’s die niet perse het beste met hun voorhadden.

De poort en de martelkamers
Vanaf de steengroeve liepen wij de weg naar de poort van het kamp. Onderweg vallen direct de uitkijktorens op. Net als de afrastering van het voormalige kamp is deze in goede staat. Nadat Wim ons heeft gered van een misplaatste entree op het kamp via een zijingang, vervolgen wij onze weg naar de hoofdpoort. De poort bestaat uit een toren met daarop een klok waarvan de oorspronkelijk functie als actuele tijdsaanduider is vervallen. In plaats daarvan geeft de klok alleen nog een symbolische tijd aan namelijk die van het moment van de bevrijding van het kamp. Aan de voet van deze toren bevindt zich de doorgang en aan weerszijden spreid het gebouw zich. Kleine cellen zijn er gebouwd waarin mensen gevangen konden worden gezet en bovenal konden worden gemarteld. In deze cellen zijn er dingen gebeurt met mensen die je zelfs je ergste vijanden niet toewenst. Het betreden van de gang die aan deze cellen grenst is huiveringwekkend. Het is een donkere lange uitgestrekte gang waarbij we de mogelijkheid hebben om aan weerszijden de cellen in te gluren. Wat we aantreffen is een ruimte die leeg is op een opklapbed na. Het raam zit hoog aan de achterkant van de cel, maar is bedekt door een metalen kap. Op de manier waarop wij de cel zien kunnen wij nog gebruik maken van het licht, maar dit zou voor de gevangene een vorm van luxe zijn. De gevangene zat in het donker en zou 1 straaltje licht als een vorm van hoop bestempelen. De SS’ers vonden hoop niet een onderwerp om met hun gevangenen te bespreken. In plaats daarvan lieten ze hun gevangenen kennismaken met hun ergste martel methodes, die in veel gevallen zou eindigen in definitieve duisternis. Met dit besef begon een rilling langzaam over mijn rug te rollen.

Hilbert Flokstra