07-10-10

Vught - De rechtsstaat is er niet alleen voor aardige mensen (4)


Na de bevrijding van Vught op 26 oktober 1944 nemen de Canadezen delen van het kamp in gebruik, een deel van Vught wordt interneringskamp.

De kampcommandant majoor L. Mennes schrijft op 3 april 1945 het volgende:
“Er is de laatste tijd een toenemende onrust te constateren onder de gedetineerden, speciaal onder de vrouwen. Men begint wanhopig te worden over het feit dat men nu al 6 maanden vastzit zonder ook maar verhoord te worden en zonder uitzicht op een spoedige berechting. Speciaal de moeders met kinderen, die achtergelaten moesten worden, zijn hierdoor uiterst nerveus en prikkelbaar geworden. Het is ook mijn vaste overtuiging dat er bij de arrestaties in de eerste dagen van de bevrijding soms zeer willekeurig opgetreden is en dat een behoorlijk percentage van de gedetineerden volgens de thans geldende richtlijnen behoort te worden vrijgelaten, al dan niet met huisarrest. Vooral onder de vrouwen is m.i. dit percentage hoog”.

“Toen ik hier op 30 november werd geplaatst”, schrijft de kampcommandant op 19 mei 1945, “vond ik een kamp dat vrijwel geheel leeggestolen was. Zonder water, licht, voedsel, zonder voldoende personeel en met een volslagen onvoldoende bewaking. Niemand wist exact hoeveel geïnterneerden er waren en van ca. 80% van de gevangenen was helemaal niets bekend. Voorts waren er een groot aantal kinderen in de leeftijd variërend van 1 dag tot 18 jaar”.

Op 31 december zitten er 4754 gevangen in kamp Vught, 2200 van hen hebben geen drinkbeker, 1200 geen bord of eetschaal, 700 geen deken. Op 11 maart 1945, zitten er 6600 mannen gevangen in kamp Vught. Onder hen zijn er 47 van 70 jaar en ouder.

Rechten hebben ze niet, een advocaat mag hen niet bezoeken. De hygiënische situatie in het kamp is zo onhygiënisch als denkbaar is, de gevangen staan aan misselijke pesterijen en walgelijke grappen bloot, vrouwen worden vernederd en seksueel geïntimideerd, onder het motto “tegen NSB-ers mag je alles doen, omdat zij alles tegen ons hebben gedaan”.

In het voorheen illegale dagblad Het Parool spreekt Pieter ’t Hoen over nazi manieren in Vugth: “Een deel van het bewakingspersoneel onderhoudt intieme relaties met de vrouwelijke gevangen Bovendien vindt de kampcommandant het normaal dat gevangen mishandeld worden. Laat men de gevangen zwaar werk laten doen, maar laat men hen niet onmenselijke behandelen”.

Kamp Vught had dan met de bevrijding van het zuiden wel andere bewoners en bewakers gekregen, maar was dus niet van bestemming veranderd.

In het pamflet Kamp Vught schrijft ds. M.C. Wijhe medio 1945: “Er zijn sinds juni nieuwe bewakingstroepen in Vught. Deze zochten al de eerste avond hun persoonlijke vijanden; sarren, schoppen, slaan, gymnastiek oefeningen. De volgende dag strafexerceren, looppas, kikkeren, opstaan, vallen, sneller sneller, door mul zand, aangespoord door geweerkolf en soldatenlaars. Dat strafexcerceren geschiedt met schoeisel dat niet past; te grote of te kleine klompen".

"Dit walgelijke bedrijf is van a tot z afgekeken van de moffen.Door strafexcerceren heeft een man zijn spraak verloren, een ander is bewusteloos gevallen. Een Schotse soldaat, belast met de bewaking van het hout, werd het te bar. Hij nam een der Nederlandse bewakers zijn revolver af en maakte er een eind aan.”
Uiteindelijk werd het te dol; er verscheen een sensationele rapportage over het kamp in de Engelse pers. De Canadezen grijpen in. Mishandelingen, strafexercities ed. zijn daarna verboden.

Aan de oostkant van het kamp wordt in 1968 een begraafplaats ontdekt. Er liggen 91 krijgsgevangen, Nederlandse SS-ers die eind 1944 – begin 1945 mijnen moesten ruimen en dat niet overleefd hebben.
Ze zijn als menselijke mijnenvegers het veroverde gebied ingestuurd en door schietende bewakers over het terrein gejaagd. Het oorlogsrecht verbiedt expliciet het inzetten van krijgsgevangen voor dit doel. Duitsers mochten dit werk dus niet doen. Nederlandse oorlogsvrijwilligers zijn geen krijgsgevangen maar “zware collaborateurs”. En collaborateurs hebben geen rechten.

Conclusie: een groot deel van het Nederlandse volk had er geen moeite mee nazi-praktijken oogluikend toe te staan, een ander deel kon de nazi-praktijken straffeloos uitvoeren.

Wim Borghuis