27-10-10

Mevrouw Herzberger - Gold (2)

Een heel klein elegant nummertje

De afgelopen weken kwamen pas echt tot leven door het persoonlijke verhaal van mevrouw J. Hertzberger - Gold. Dankzij haar beleefden wij de oorlog even levendig als zij toen. Vol liefde vertelt ze over haar moeder, en vol haat over de kameratschaftspolizei.

Het verhaal begint in mei 1940 in Limburg met de Duitse inval. Gevangen tussen het Maaswater en de Duitse grens kan het gezin geen kant op. Zeker niet als er zwarte vogels overvliegen waaruit zwarte poppetjes springen aan parachutes. De opgeblazen brug blokkeert een eventuele vluchtpoging volledig. Duitse troepen trekken het dorp binnen en op dienbladen krijgen zij warme welkomstbroodjes aangeboden. “In principe was er toen nog niet veel aan de hand, maar je voelde de angst van je ouders. Er kwamen steeds meer bordjes dat Joden niet gewenst waren. Door een aanslag op twee Duitsers werd een represaille gesteld, waarbij mijn vader naar kamp Westerbork werd gestuurd. Hem zag ik nooit meer terug”, aldus onze spreekster.

De Joden moeten op een gegeven moment naar een aparte school en worden bevolen een rugzak klaar te zetten voor als ze naar een werkkamp moeten. Die rugzak vinden ze niet zo erg, immers “van werken ga je niet dood”. Niet veel later mag het gezin nauwelijks meer naar buiten en moeten ze Jodensterren gaan dragen. Het ergste van alle maatregelen vind mevrouw Hertzberger - Gold dat ze haar vriendinnen niet meer kan zien. Dan bellen twee Nederlandse politieagenten aan, ze moeten hun rugzak pakken en meekomen.

Na een korte reis arriveren de moeder en twee kinderen in Westerbork. Daar proberen zij zich zo nuttig mogelijk te maken, om maar niet verder naar onbekende oorden te worden gedeporteerd. Onze gastspreekster werkt als medisch assistente onder dokter Hertzberger, haar toekomstige echtgenoot. Maar iedere dinsdagochtend vertrekt er een trein naar het Oosten en ook de familie Gold komt uiteindelijk aan de beurt. Mede dankzij hun inzet mogen zij naar het iets minder erge kamp Theresienstadt, maar hun verblijf daar is maar van korte duur.

Als het Rode Kruis op inspectie komt, treffen zij een redelijk net kamp aan, doordat de 30.000 Joden die er verbleven al op weg zijn naar Auschwitz. In het kamp aangekomen wordt iedereen gesorteerd. Moeder Gold neemt haar dochter mee de rij in met de gezonde, jonge vrouwen. Alle mannen, dus ook haar broertje, moeten aufmarcheren. Bij de administratie zorgt mevrouw Gold er weer voor dat haar dochter in de goede rij terecht komt. Ze krijgen een nummer getatoeëerd, maar in plaats van groot en slordig kregen zij een “heel klein elegant nummertje”.

Het belangrijkste van het leven in het kamp is “zorgen dat je er niet bent”. Je moet onzichtbaar proberen te blijven en jezelf in leven houden met alles dat je kan krijgen. Om s’ avonds de tijd te doden worden er hele recepten uitgewisseld en de hoofdactiviteit is luizen doodrukken. Overdag moet iedereen uren op appél staan en werken aan een landingsbaan in een dorp vlakbij. Daarvan herinnert mevrouw Hertzberger - Gold zich nog levendig een vrouwelijk SS-er die bewaakte: “Dat dikke propje, gepropt in een veel te klein SS-uniform, bleef ons maar slaan. Ik kende het woord nog niet maar ik denk dat ze psychotisch was.”

Niet lang daarna horen ze in de verte schoten en moeten ze gaan lopen op dodenmars naar een ander kamp. Als ze daar enige tijd zitten, zijn er op een ochtend ineens geen SS’ers meer te zien. “Ik dacht dat ze ons die dag wel dood zouden maken, omdat we te zwak waren om te werken”. Maar die dag worden ze dan eindelijk bevrijd door de Russen.

Onze gastspreekster draagt tenslotte nog een prachtig gedicht voor en dat is tegelijk het einde van haar verhaal. Tijdens de minor hebben we al vele indrukwekkende verhalen gehoord. Niets is indrukwekkender dan het verhaal te horen uit de mond van degene die het ook daadwerkelijk zelf heeft meegemaakt. “Een klein elegant nummertje”, en dat is mevrouw Hertzberger-Gold nog steeds.

Ferdi Postma & Leonie Loggen