27-10-10

Kroniek bezoeken Westerbork, Amersfoort, Vught en de Hollandse Schouwburg - oktober 2010


“Drie voor een dubbeltje, schiet ze kapot”,
Klinkt rauw door de nacht,
En dan volgt er een schot,
En weer is er een bij zijn vad’ren.

Hoe wel zijn naam is,
En of je hem kent,
Wat doet het er toe,
Als jij het niet bent,
En kookt ook het bloed in je ad’ren.

Je kunt niet meer helpen,
En niemand ook jou,
Als jij er eens aangaat,
Misschien al heel gauw,
Ze kunnen je hoogstens begraven…

Het bovenstaande gedicht is geschreven door een gevangene. Een kampgevangene. Hoewel het doet vermoeden dat het tijdens de oorlog geschreven is, is niets minder waar. Dit gedicht is 1946 geschreven, in het naoorlogse kamp de Harskamp.

Het geeft de volledige onmacht rechteloosheid aan die zowel tíjdens de oorlog in de kampen heersten als daarna. In De Harskamp zaten vanaf mei 1945 zo’n 4000 Nederlandse Waffen SS’ers en Landwachters gevangen in de meest barre omstandigheden. Nadat zij zich hadden overgegeven aan Canadese militaire verbanden, waren zij krijgsgevangenen. Toen de Canadezen een maand later in juni 1945 het gezag overdroegen aan het Nederlandse Militair Gezag en de Nederlandse Stoottroepen, werden zij vervolgens politieke gevangenen. Dit zouden de meeste geïnterneerden tot 1949 blijven. In de tussenliggende periode echter, beleefden zij minstens zulke verschrikkingen als in de onmenselijke kampen die er tijdens de oorlog waren geweest.

Drie droevige bezoeken aan naargeestige nare plekken hebben wij in de afgelopen weken afgelegd. Westerbork, Amersfoort en Vught. Deze drie plekken zullen voor altijd verbonden zijn met de oorlog door de kampen die daar in die periode zijn geweest. Polizeiliches Durchgangslager Westerbork, Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort en SS-Konzentrationslager Vught (het enige ‘echte’ SS-concentratiekamp). Een vierde bezoek, ietwat afwijkend maar in direct verband staand met de kampen. brachten wij aan de voormalige Hollandse Schouwburg in Amsterdam.

Opvallend was dat al deze plekken voor de studenten die met het openbaar vervoer moesten komen, wat lastig te bereiken waren. De voormalige kampen lagen bewust toen al enigszins afgelegen. Toen ik in 2008 in Berlijn was en daar het voormalige concentratiekamp Oranienburg-Sachsenhausen bezocht, vroeg ik mij af hoe het kon dat het kamp eigenlijk tegen een oude woonwijk lag. Mensen móesten toen toch wel iets gezien of gehoord hebben, veronderstelde ik. Toen ik ’s avonds laat het voormalige kampterrein verliet, zag ik een wat oudere vrouw haar hond uitlaten. Ik sprak haar aan en we raakten aan de praat. Ze vertelde mij dat ze als tiener in de oorlog was opgegroeid en dat het kamp Oranienburg-Sachsenhausen toentertijd streng bewaakt werd. De huizen om het kamp heen waren in de oorlog bewoond door bewaking en diens familie en om het kamp heen hielden SS- ers patrouille. Niemand ongezien het kampterrein op kon komen. Een Nederlandse Waffen SS’er die ik kende verwoordde het eens goed, en zei: de concentratiekampen waren het best bewaarde geheim van Duitsland tijdens de oorlog. Wij hebben er echt níets van geweten. Ik ben er van overtuigd dat het gros van de Nederlandse NSB’ers en Waffen SS’ers hier ook werkelijk niets van geweten heeft, althans niet van de grootschalige vervolging en vernietiging die op voornamelijk joden is toegepast. Helaas, en daar kom ik later op, wisten enkelen het wél.

Allereerst dus een bezoek aan kamp Westerbork bij Hooghalen. Het was goed weer om zo’n droevige plek te bezoeken; regen en wind. Binnen in het herinneringscentrum kregen wij uitleg over het voormalige doorvoerkamp.

Na de uitleg en de bezichtiging van het herinneringscentrum vertrokken wij per fiets naar het voormalige kampterrein, waar we bij de poort op locatie een en ander getoond kregen. Schuin tegenover de poort stond bijvoorbeeld nog altijd onaangeroerd, als een stille getuige, het huis waar de Duitse kampcommandant Gemmeker intrek had genomen. Dit was de plek waar bij benadering 104.000 Nederlandse joden schaamteloos bijeen zijn gedreven en afgevoerd naar hoofdzakelijk vernietigingskampen in Polen. Voor het eerst kregen wij van de gids het verhaal te horen over de in kamp Vught geboren joodse baby Machiel Prins, die door het transport naar Westerbork doodziek aankwam. Toen kampcommandant Gemmeker hoogte van de zieke baby kreeg, leek hem er alles aan gelegen het kindje te redden. Niettegenstaande ging het kindje na te zijn opgeknapt evengoed gewoon op transport naar Auschwitz, waar het vervolgens direct naar de gaskamer werd gebracht. Gemmeker beriep zich na de oorlog op dit plausibele verhaal, en ontliep zo wellicht de doodstraf. Hieraan moet nog worden toegevoegd dat hij niet beweerde te weten waarheen de treinen die zijn kamp verlieten heengingen.

Her en der lagen op het terrein heuvels waar de barakken gestaan hadden en ook stonden er gedeelten van de barakken zelf, nagemaakt van betonnen muren, spookachtig overeind. Een vreemde gewaarwording was het voor mij, toen wij op de plek van barak 66 en 67 stonden, wetende dat hier tijdens de naoorlogse internering nog mensen zaten die ikzelf persoonlijk ken, en gekend heb. Deze barakken waren de zogenaamde ‘SS-barakken’, waarin de SS’ers afgescheiden van de NSB’ers zaten.

In het eerste halve jaar na de oorlog stierven er in het kamp in Westerbork meer dan 100 mensen. Bij navraag waarom hierover met geen woord gerept werd, kreeg ik, net als later in Vught, te horen dat men er voor had gekozen alleen het ‘joodse’ verhaal te vertellen. Een tekortkoming, mijn inziens, omdat de naoorlogse situatie direct verband houdt met de oorlogse. Ook kwamen er vanuit joodse hoek hevige protesten, begrijpelijk, maar niet direct een gebaar van verzoening, terwijl ook na de oorlog in Westerbork zwaar is geleden. Terug in het herinneringscentrum bleek er onlangs een boek en DVD te zijn verschenen rond Westerbork en de naoorlogse situatie. Omwille van een joodse bijeenkomst was besloten het boek en de DVD, als zijnde te confronterend, even in het magazijn op te bergen. De oorlog is blijkbaar nog altijd niet voorbij. Kamp Westerbork: een kamp met vele gezichten. In 1939 door de Nederlandse regering in het leven geroepen om joodse vluchtelingen onderdak te verschaffen. Vanaf 1942 als Duits doorvoerkamp, van 1945 tot 1948 als Nederlands interneringskamp en daarna om de uit Nederlands-Indië gevluchtte Molukkers in te herbergen. Pas in 1970 vertrokken deze laatste uit het kamp.

Het bezoek aan het voormalige kamp Amersfoort was al even droevig. Het weer en de verhalen deden niet onder voor het bezoek aan kamp Westerbork. Voorafgaand aan het bezoek hadden we die dag een zeer boeiende en uitgebreide uitleg gehad van de voormalige directeur en medeoprichter van het voormalige kamp Amersfoort.

Dit herinneringscentrum was echter kleiner van opzet en ook van het kamp zelf was veel minder over. Enkel een van de twee poorten en een uitbouw aan een huis waren nog origineel. Veel indruk maakte de door gevangenen grotendeels uitgegraven schietbaan van 300 meter, aan de overzijde van de weg. Deze liep tussen twee metershoge hoge aarde wallen. De terechtgestelde gevangenen moeten werkelijk het idee hebben gehad naar hun laatste halte te worden gebracht. Dit was tot nu toe de enige plek waar ik daadwerkelijk een lichte rilling over mijn rug heb voelen lopen.

Bij terugkomst van de rondleiding over het voormalige kampterrein vertelde een studiegenoot dat het kampnummer dat in een van de vitrines lag, het nummer van zijn grootvader was.

Het bezoek aan Vught had voor mij persoonlijk een extra tintje, aangezien ik zo’n twee jaar lang contact heb gehad met een Karel, die tijdens de oorlog aan het Oostfront onherstelbaar gewond was geraakt en in Vught een jaar lang als bewaker had gediend. Eind jaren ’90 was hij eens teruggeweest en had zich, net als wij, laten rondleiden. Hij had zich verbaast over hetgeen er verteld werd. Nu kan ik ook niet anders zeggen dat, in tegenstelling tot de zeer interessante film waarin voormalige gevangenen hun verhaal over kamp Vught vertellen, en de eerdere rondleidingen in de andere kampen in acht genomen, de rondleiding naar mijn idee gewoonweg slecht was. Zelfs al werd deze met alle enthousiasme door een vrijwilliger gegeven. Ik zal, voor de zielenrust van de suppoost, hier verder niet op ingaan.

Toen wij naderhand op de voormalige executieplaats in het bos waren, ‘schoot’ weer door mij heen hoe Karel in een gesprek had geïnsinueerd dat hij bij deze executies, en andere ‘onprettigheden’ betrokken was geweest. Desondanks stond Karel in Vught onder de gevangenen wel te boek als aardig. Uit een gesprek met Karel:

“E. wilde een feestje geven in de barak. Hij vroeg mij of ik iets voor hem kon doen. Hij zei dat hij een bankier in de barak had die thuis nog vier flessen jenever had staan. Als ik nou contact op nam met de vrouw van die bankier dan kon die jenever naar Vught komen. Ik heb die vrouw opgebeld en verteld wat de bedoeling was. We hebben een afspraak gemaakt in Den Bosch en zij zou iemand sturen met die flessen. Ik daar naar toe op het afgesproken tijdstip en daar zag ik iemand met een koffertje. Ik sprak hem aan. Het bleek een SD-er te zijn, ik was in de val gelopen. Die vrouw van de bankier had het niet vertrouwd en het geval doorgegeven aan de SD. Het gevaar was nu dat ik veroordeeld zou worden voor 'Häftlingenbegünstigung', daar stonden hoge straffen op. Maar ik kon mijzelf redden door het erop te spelen dat ik een gesprek had afgeluisterd in de barak en zo die flessen jenever achterover had willen drukken. Ik kreeg uiteindelijk 80 dagen, die ik uit heb gezeten in de bunker.”

Onlangs vond ik, spittend in een naoorlogse editie van juli 1946 van het Nijmeegs Dagblad, het volgende artikel:

Gevangenen in Vught doodgeschoten

Een half vuurpeloton voor de groene tafel

Het was een bijzondere zitting woensdagochtend voor het Gerechtshof Arnhem.
Beestachtigheden, die in de bezettingsjaren door Nederlanders werden bedreven, passeerden hier de revue en niet minder dan vijf leden van het vuurpeloton uit het kamp Vught stonden hier op een zeker ogenblik in de gerechtzaal.

De voornaamste van hen, SS-Unterscharführer Bernhard Becker uit Nijmegen, 26 jaar oud, had zich te verantwoorden terwijl de overigen vooreerst als getuigen werden gehoord.

Het was op een augustusavond van het jaar 1944, dat omstreeks een uur of zes, zoldaten van het Wachtbatalion ‘Nordwest’, dat met de bewaking van het kamp Vught was belast, voor een uit te voeren executie van gevangenen werden uitgezocht of zich vrijwillig daarvoor aanmeldden. Enkelen van de getuigen verklaarden dat zij zelf hadden deelgenomen.

De twaalf Nederlanders, die zouden worden doorgeschoten, werden op de schietbaan tegen de kogelvangers opgesteld, terwijl het peloton ( 32 man sterk) op ongeveer tien meter afstand positie nam.

Verdachte Bernard Becker, in zijn kwaliteit van SS-Unterscharführer, werd terzijde van de gevangenen geposteerd om er op toe te zien, dat niemand ontsnapte.

Nadat de dodelijke schoten gevallen waren, marcheerde het peloton af en bleef verdachte Becker met nog drie andere Unterscharführer (Duitsers) benevens de dokter achter om te zien of de gevonnisten nog teken van leven vertoonden. Becker trok daarop zijn pistool en gaf diegene het genadeschot, die zich nog verroerden in hun doodsstrijd.

Alhoewel de verdachte ten stelligste ontkende de ongelukkige het genadeschot te hebben gegeven, verklaarde getuige Verwoert het gehele drama voor zijn ogen te hebben zien afspelen. Hij was op de bewuste avond via het struikgewas naar de schietbaan geslopen en had van een der hoge kanten het drama gadegeslagen met het oogmerk de daders te herkennen en hen later aan de politie over te leveren. Ook de getuigen Kwakkerlaar en Veldkamp, die beiden deel uitmaakten van het peloton, bevestigde dat becker de gevangene een laatste schot had toegediend.

Uiteindelijk besluit de rechter Becker ter dood te veroordelen. Deze straf zou echter nooit uitgevoerd worden.
Karel komt na de oorlog weer in Vught, ditmaal als gevangene. Tijdens zijn veroordeling blijkt uit niets dat hij bewaker is geweest in Vught. Zodoende zal hij voor dit feit dan ook nooit veroordeeld worden.

De Hollandse Schouwburg was echter van een andere orde. Deze plek, waar ik als Amsterdammer al ontelbare keren ben langsgefietst maar nooit had bezocht, ligt midden in de stad. Van hieruit is het grootste gedeelte van het kwaad geschiedt, aangezien iets minder dan de helft van de in de oorlog omgekomen joden uit Amsterdam kwam. In het gegoede gedeelte van de voormalige Amsterdamse jodenbuurt, de Plantagebuurt, hebben de Nederlanders lijdzaam staan toekijken hoe vanaf de zomer van 1942 joodse medeburgers bijeen werden gedreven en afgevoerd. Goed, waarheen wist niemand en dat was ook onvoorstelbaar. Wat konden zij doen? Drama’s hebben zich op die paar vierkante meter afgespeeld. Alleen de foto’s die een meisje uit de buurt maakte toen zij haar vriendinnetje op de binnenplaats ontdekte, vertellen het verhaal van alle afgevoerde joden, en zij spreken boekdelen.

Toch is er verzet geweest, heel even en heel kort, maar het was verzet. Het zou de boeken ingaan als de Februaristaking van 1941. Verzet tegen de maatregelen die de joodse Amsterdammers het leven onmogelijk maakten. Verzet van Amsterdammers en voor Amsterdammers. Binnen 48 uur had het zich uitgebreid naar andere delen in Nederland. Even wisten de Duitsers niet wat ze moesten aanvangen, maar direct hierop lieten zij zich van hun werkelijke kant zien. De staking werd met veel geweld de kop ingedrukt en binnen een week werd de eerste echte razzia gehouden. Op het Jonas Daniël Meijerplein werden de eerste 400 joden verzameld en afgevoerd. Naderhand, toen wij rondgeleid waren in de Hollandse Schouwburg, kwamen wij als groep bijeen en ontstond een groepsgesprek. De lijn van de vervolging en niet-acceptatie van joden werd doorgetrokken naar huidige maatschappelijke situaties en al snel eindigde het groepsgesprek in een verhitte multicultidiscussie waar, net als de politiek van de afgelopen dertig jaar, niemand uitkwam.

De essentie van de afgelopen weken, waarin we vele verhalen hoorden en veel te zien kregen tijdens onze bezoeken is wat mij betreft: geen enkel leed is te vergelijken. We kunnen alleen maar stilstaan bij de plek, luisteren naar de verhalen en proberen hiervan iets te leren zodat wij dit voor onszelf, en voor anderen, mee kunnen nemen naar de toekomst.

Stijn Reurs