18-09-10

Slachtoffer, dader, omstander. (5)


Films kregen wij te zien. Documentaires, speelfilms en reconstructies over de oorlog en belangrijke keerpunten daarin. Van laagdrempelige introductiefilms voor scholieren over het leven van Anne Frank tot uitleg over de aanslag op Hitler op 20 juli 1944 en de invasie in Normandië.

Wat een uitdaging moet het zijn om te proberen juist kleine, schijnbaar onbenullige momenten in die Tweede Wereldoorlog te kiezen die niet tot de verbeelding spreken, maar evenzo belangrijk waren.

Neem nu de langding bij het kleine Noord-Franse kustplaatsje Dieppe in augustus 1942. Men zou kunnen stellen dat juist deze desastreus verlopen operatie de basis is geweest voor het succes van operatie Overlord, beter bekend als D-Day op 6 juni 1944, wat indirect weer zorgde voor de bevrijding van West-Europa. Of de Duitse operatie Citadel, die feitelijk het einde van de Duitse pantserstrijdkrachten inluidde. Na de deze grootste tankslag ooit, nabij de Russische stad Koersk, verspeelde het Duitse leger de laatste troeven en dolven daarna keer op keer het onderspit tegen de Sovjet-strijdkrachten wanneer het op tanks aankwam.

Er zijn talloze voorbeelden om de oorlog tot de verbeelding te laten spreken, maar in de afgelopen decennia keert er hoofdzakelijk telkens één terug: het verhaal van Anne Frank. Hoewel ik het dagboek slechts fragmentarisch gelezen heb, moet ik zeggen onder de indruk te zijn van de overdenkingen en schrijfstijl van een toentertijd veertienjarig meisje. Haar manier van verwoorden van haar overpeinzingen, die op zichzelf al ongekend zijn voor iemand van haar leeftijd, zowel toen als nu, bieden een hoogst bijzonder inzicht. De (helaas) utopische boodschap die zij in haar dagboek uitdraagt: naastenliefde, respect en begrip, mag een leidraad zijn voor iedere maatschappij. Persoonlijk vind ik het daarom niet verkeerd dat het werk van Anne Frank wordt aangedragen tijdens geschiedenislessen. Toch staat mij helaas ook iets tegen.

De eenzijdigheid van de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog die de naoorlogse generaties onderwezen hebben gekregen, heeft mij nooit bevallen. Anne Frank is uitgegroeid tot een gesubsidieerd historisch handelsmerk. Naast het dagboek is het toenmalige Achterhuis uitgegroeid tot een hysterische toeristische trekpleister die de stad Amsterdam jaarlijks miljoenen op moet leveren. Om nog maar niet te spreken over de Anne Frankstichting en de vele boekjes die na de oorlog over haar geschreven zijn. Daarnaast is het natuurlijk verplichte kost voor iedere scholier. Een ware Annefrankisering van de oorlog heeft zich voltrokken. Anne Frank is de Tweede Wereldoorlog, de Tweede Wereldoorlog is Anne Frank.

Toen al overgeïnteresseerd in de oorlogsgeschiedenis, pakte ik op mijn twaalfde bij de volwassenenafdeling in de bibliotheek een boek uit de kast dat mijn aandacht trok. “Onder de vleugels van de partij”, luidde de titel. “Kind van de Führer” was de ondertitel. Het onwaarschijnlijke verhaal bleek ook nog eens waar gebeurd te zijn. Een Nederlandse jongen die op zijn veertiende bij de Waffen SS terecht komt en later meevecht in de Slag om Arnhem en in het Ardennenoffensief. Het minutieus beschreven verhaal las weg als een spannend jongensboek, maar met de boodschap dat het Nazisme het meest verderfelijke systeem is dat de moderne wereld ooit gekend heeft. Ik kan wel zeggen dat ik dit boek in een adem uit las en probeerde vervolgens alles in handen te krijgen rond dit onderwerp.

Weinig aandacht is er tot nu toe geschonken aan mensen die in de oorlog juist ‘fout’ waren. Dit hoofdstuk heeft men in Nederland altijd een beetje willen overslaan, is mijn indruk. Nergens in Europa zijn relatief zoveel joden weggevoerd als in Nederland. Nergens in Europa hebben zich ook relatief zoveel wapendragers aangemeld bij de Duitsers als hier of liep de samenwerking met de geïnstalleerde Duitse overheid in Nederland gesmeerd. Wat dat betreft hebben wij hier naar mijn idee decennia lang kilo’s boter op ons hoofd gehad en de hand maar slecht in eigen boezem durven te steken. Hiermee wil ik niet voorbij gaan aan het feit dat er natuurlijk ook daadwerkelijk verzet is geweest en gepleegd in Nederland, hoe klein ook, maar haast altijd met gevaar voor eigen leven. Maar laat het duidelijk zijn dat de meeste verzetslieden ‘na de oorlog’ in het verzet waren geweest.

Juist daarom vond ik het zeer vooruitstrevend dat Wim Borghuis als onderdeel van de afgelopen les ook stilstond bij deze ‘foute’ Nederlanders en hun naoorlogse behandeling. Van 1945 tot 1950 hebben in meer dan 120 interneringskampen honderdduizenden Nederlanders vast gezeten. In de eerste anderhalf a twee jaar in de meest barre omstandigheden. Ziektes en epidemieën braken uit in de interneringskampen en werden bewust niet bestreden, met gevolg dat honderden stierven. Ongeacht leeftijd of geslacht werden de ‘foute’ Nederlanders soms als beesten behandeld. Lees het in 1949 verschenen rapport “Kamptoestanden 1944-’45-’48, een rapport van Dr. Van der Vaart Smit” er maar op na. In één woord walgelijk. Daarbij kwam nog dat het overijverige Nederlands Beheersinstituur al het bezit van ‘foute’ Nederlanders confisceerde. Althans, eigenlijk gewoon stal, want ik heb nooit iemand gesproken die na zijn internering ook maar iets van dit zeer bijzondere instituut retour kreeg.

De bewaking van de ‘foute’ Nederlanders geschiedde door “Jan en alleman”. In gevangenkamp De Harskamp op de Veluwe werden zo’n drieënhalf duizend Nederlandse Waffen SS’ers samengebracht op de heide. Enige onderdak voor deze mannen boden vier oude paardenstallen. Het gros moest het eerste jaar buiten slapen. Voedsel was zeer weinig en slecht en kleding werd niet verstrekt. Gelegenheid tot wassen was er vrijwel niet. Toen de Canadezen eind juni 1945 de bewaking van het kamp overdroegen aan het Nederlandse Militair Gezag, brak op z’n Amsterdams gezegd de pleuris uit. Er volgde schietpartijen in het kamp, waarbij tot januari 1946 ongeveer 15 gevangenen werden doodgeschoten. Om nog maar niet te spreken van de gewonden. Gevangenen werden door de ‘Plurken’ (samentrekking van ploerten en schurken) zwaar mishandeld en er werd naar hartenlust gekleineerd. Hier werd een eind aan gemaakt door de geestelijk begeleider van het kamp, ds. G.H. De Moll van Charante, die er uiteindelijk voor zorgde dat in Den Haag besloten werd de kampleiding te vervangen, ten einde de wantoestanden een halt toe te roepen. Later resulteerde deze wantoestanden in een parlementaire enquête.

De Harskamp is in dat opzicht een goede graadmeter voor de Bijzondere Rechtspleging in heel Nederland.

Uit interviews die ik hield met Nederlanders die bij de Waffen SS dienden en na de oorlog in Nederland geïnterneerd werden, heb ik enkele treffende passages gehaald:

P.B., in 1946 gearresteerd in Rotterdam en geïnterneerd in kamp Vught:

“Toen ik was opgepakt werd ik naar een kantoor gebracht en daar werd mijn zus uitgemaakt voor moffenhoer. En dat nam ik niet. Ik werd daar geslage, wist een stoel te pakken en ging in een hoek staan, zodat ze niet bij me konden komen. Maar op den duur win je dat niet. Ze hebben mij toen bewusteloos geslagen.

Toen ik bijkwam zag ik een jongen gehurkt zitten, bovenop een kast, die de hele tijd moest herhalen dat hij de beul van Amersfoort was. Terwijl hij helemaal niet in Amersfoort was geweest.

In Vught kreeg je een sigaret als je ging luchten. En een jongen had stiekem een sigaret meegenomen naar zijn cel om hem daar op te roken. Die jongen werd helemaal in elkaar geslagen. Toen ikzelf bij de POD (Politieke Opsporings Dienst) kwam werd ik in mijn blote kont gezet en moest ik met een touw om mijn geslachtsdeel op handen en voeten door de gang kruipen en blaffen. Dat was vernederend…dat was vernederend…”

E.L.R., in 1945 en 1946 geïnterneerd in gevangenkamp De Harskamp:

“Ik was hoofd van de ziekenbarak. Daar lagen ook jongens die in tijdens gevechten gewond waren geraakt. Op een dag komt er een bewaker binnen die roept dat we allemaal in de houding moeten gaan staan. Een van die jongens was oorlogsinvalide en kon helemaal niet staan. Maar hij moest toch. En toen heb ik gezegd dat hij kon blijven liggen. Toen hebben er twee man zo hard op mij ingeslagen dat ik een tijd lang blind ben geweest. Ik had een klap met een geweerkolf op mijn achterhoofd gekregen en werd speciaal naar het ziekenhuis in Utrecht gebracht. Gelukkig duurde het een week of twee en is mijn zicht daarna weer teruggekeerd.”

C.N. in 1945 in Vught geïnterneerd:

“Toen ik in Vught zat, woog ik na een tijdje nog maar 40 kilo. Ik viel haast flauw van de honger. We kregen helemaal niets. Ik weet nog hoe ik met mijn handen langs de rand van de barak liep om me vast te houden.”

“Wee de overwonnen, wij hebben geen recht van spreken”. Dit waren de wijze woorden van een van de ‘foute’ Nederlanders die ik eens sprak. De winnaar schrijft de geschiedenis, toen, nu en dat zal altijd zo zijn. Omstanders worden daders, daders worden slachtoffers en vice versa. Dit bleek maar al te goed na mei 1945.

Maandag gaan wij naar kamp Westerbork. Klik op de link om te lezen wat je waarschijnlijk nog niet wist:

http://www.hetopenarchief.nl/page/1346/nl


Stijn Reurs