08-09-10

Kroniek Stijn Reurs deel 2 - Overloon (3)


Oh, a storm is threat’ning
My very life today
If I don’t get some shelter
Oh yeah, I’m gonna fade away

War, children
It’s just a shot away
War, children
It’s just a shot away

Rape, murder
It’s just a shot away
It’s just a shot away

I tell you love, sister
It’s just a kiss away,
A kiss away…

(Rolling Stones: Give me shelter, 1969)

Aan de poort bij oorlogs- en verzetsmuseum Overloon verzamelden we.

Even daarvoor had ik met een medestudente de niet-al te-beste buurtbusverbinding naar het museum in Overloon genomen. Zij had het busje, dat om het uur komt, gemist en had een uur het weiland in staan turen.

In het museum werden we opgevangen door een zeer bevlogen suppoost. Met Brabantse tongval werden wij door de kittige medewerkster van het museum op sleeptouw genomen en fietste wij als op een fiets met houten banden, hobbelig door de oorlogsgeschiedenis. Later, tijdens enkele kritische vragen, bleek dat zij zich te houden had aan een vast verhaal, en hier niet van af mocht wijken.

Het eerste wat mij opviel was het nieuwe jasje waarin het museum was gestoken. Zo’n jaar of zeven geleden was ik er voor het laatst geweest en ik herkende maar weinig terug. Materiaal dat voorheen buiten stond weg te roesten, stond inmiddels binnen. Ook viel direct op dat er veel zorg was besteed aan de diorama’s, die er goed uitzagen.

In de eerste hangar kregen wij uitgelegd dat het materiaal wat wij zagen was achtergebleven na de Slag om Overloon. Wij kregen een korte beschrijving van wat er zich tussen eind september en half oktober 1944 in Overloon en omgeving had afgespeeld. Tijdens deze enige echte tankslag in Nederland was veel beschadigd oorlogsmateriaal op de voormalige slagvelden achtergebleven. Dit werd nu ten toon gesteld bij binnenkomst in het museum. De reusachtige Duitse Panthertank, die jarenlang werd gerestaureerd, stond prominent vooraan.

De suppoost nam ons hierna langs allerlei zalen die ieder een eigen, belangrijk, thema in de oorlog uitdrukten. Zo was er een Februaristaking-zaal die het verhaal van de enige opstand tegen de anti-joodse maatregelen vertelde. Hierna werden wij langs het laatste “Engelandvaardersbootje” geleidt en streken wij neer in een nagebouwde 30er jaren huiskamer. Veel aandacht werd besteed aan hoe de gewone burger de oorlog beleefde. Allerminst verkeerd, want zoals bekend nam voor de meeste mensen in Nederland het leven na de Duitse inval weer zijn beloop. Ja, het straatbeeld veranderde in de grote steden wel, hier en daar zag je Duitse militairen (door de suppoost steevast “nazi’s” genoemd) marcheren. Pas later, vanaf half 1943, werd de sfeer grimmiger. Vooral dit laatste oorlogsjaar, met als dieptepunt de Hongerwinter van 1944-1945 in West-Nederland, bepaalt ons beeld van de oorlog. Hier kom ik aan het eind nog op terug.

Nadat we alle vernuftige foefjes hadden gezien om als burger tijdens de oorlog te overleven, kwamen we langs de originele uitzendtafel van Radio Oranje, waarmee vanuit Londen nieuws en cryptische boodschappen voor het Nederlandse Verzet werden uitgezonden. De ironie wil dat juist dít apparaat gemaakt bleek te zijn door het Duitse bedrijf Siemens, dat tijdens de oorlog tienduizenden dwangarbeiders voor zich liet werken in de Duitse oorlogsindustrie.

Even bleven we stilstaan bij enkele geüniformeerde poppen. Geheel rechts een Hitlerjugenduniform, geheel links, een iets minder militaristisch en vriendelijker ogend Jeugdstormuniform. De suppoost, van middelbare leeftijd, was duidelijk blijven hangen in een “goed- en fout denken” zoals dat haar generatie werd uitgelegd, toen zij toelichtte wat deze Jeugdorganisaties inhielden. Toen docent Borghuis vertelde dat wij met een kind van “foute” ouders zouden gaan praten, zei een medestudente enthousiast: ”Interessant”!

Met een boog liep de groep hierna in de richting van een wat donkerder gedeelte, midden in de laatste zaal. De suppoost waarschuwde dat wat wij nu te zien zouden krijgen, onnoemelijk naar was, en wie wilde, kon dit overslaan. Niemand aarzelde. Juist deze- eigenlijk ongezonde- nieuwsgierigheid deed mij beseffen dat juist dergelijke gevoelens mensen zo wreed kunnen maken. Weten dat je iets naars zult gaan zien, maar voorál toekijken, juist niet wegkijken. Zou dit één van de psychische aspecten zijn waardoor kampbewakers hun werk uit konden voeren?

Binnen in de ruimte vertelde de suppoost dat de muren waarbinnen de Holocaustexpositie was opgesteld dezelfde afmetingen hadden, als die van een gaskamer. Ik probeerde mij voor te stellen hoe in zo’n kleine ruimte honderden mensen werden samengepropt. Dat “an sich” moet onbeschrijfelijk geweest zijn, laat staan dat vervolgens blauwzuurgas een abrupt einde maakte aan al die mensenlevens.

Om tot bezinning te komen eindigde de “tour de guerre” in een kapel waar men even op adem kon komen. Het moet worden gezegd: de sereniteit die hier in- en uitgeademd werd was na al die narigheid welkom.

Hierna nam de suppoost afscheid van de groep en konden wij op eigen gelegenheid door het museum lopen.

De bijzondere expositie rond de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, in een aparte zaal, was eveneens zeer indrukwekkend.

Op een groot doek werd een korte film vertoond. Een mooi zakhorloge verscheen in beeld. De tijd: kwart over acht ’s ochtends. Het horloge zou nooit meer doortikken. Een meedogenloos wapen maakte op die minuut aan bijna tachtigduizend levens een einde. In een oogwenk vervluchtte een stad en haar tienduizenden bewoners. Mensen. Levens. Drie dagen later viel hetzelfde lot Nagasaki ten deel, omdat de Japanners, in hun trots, maar waarschijnlijk in evenzoveel ontsteltenis en ongeloof, nog niet hadden gecapituleerd. Stille getuigen van de twee monsterlijke atoombommen lagen in de vitrine achter in de zaal: verwrongen en gesmolten dakpannen en glaswerk. Een jasje met schroeivlekken en nog enkele kleine voorwerpen. Dit was het einde van de oorlog der oorlogen, en daarmee de conventionele oorlog, maar begin van een nieuw tijdperk. Een Koude Oorlog.

Ik vertrok naar huis, wederom met de buurtbus. Bij een halte stapte twee oude dames in. Ik bood aan te helpen, maar dat was niet nodig. De jongste van de twee: ”Ze is wel vierennegentig, maar doet nog alles zelf”. Ik vertelde dat ik zojuist in Overloon het oorlogsmuseum bezocht had. De jongste van de twee begon te vertellen: “Wij dachten dat hier nooit iets zou gebeuren, het ging vier jaar goed. Nooit problemen of oorlogsgeweld. En honger, dat hebben we nooit gehad. Vanuit het Westen kwamen hier wel jongeren om aan te sterken, maar dat was vooral in het laatste oorlogsjaar. En toen kwam die slag bij Overloon. Ik weet nog hoe ik als meisje in de kelder zat en de granaten over hoorde vliegen. Tssssssjjjj. Toen wij weer boven kwamen, was alles kapot. Er was zwaar gevochten. Later, toen de Duitsers verdreven waren, kwamen er Engelsen bij ons ingekwartierd. Een van die jongens, hij was toen een jaar of achttien, was katholiek. Hij heeft mij toen een rozenkrans gegeven, die nog altijd boven mijn bed hangt. Ik zou hem nog best eens willen ontmoeten”.

Stijn Reurs