01-09-10

Dinsdag 31 augustus 2010 - Kroniek van Stijn Reurs - Start Minor Tweede Wereldoorlog educatie (3)



“Kom vanavond met verhalen,
hoe de oorlog is verdwenen,
en vertel ze honderd malen,
alle malen zal ik wenen.”

Dit zijn de woorden van Leo Vroman, geboren in 1915 en als joodse student op 14 mei 1940 gevlucht naar een veiliger oord, het Verenigd Koningrijk. Vroman voelde als jood ‘de bui’ al hangen en deed wat velen onmogelijk was, vluchten. Dit gedicht omvat en beschrijft waarschijnlijk de gevoelens van alle mensen die ooit dit diepste dal van mens-zijn- oorlog voeren- hebben beleefd. Ongeacht waar ter wereld.
Oorlog is een bevestiging van ons dier-zijn. Het is een oerdrang die wij tegenwoordig hebben kunnen kanaliseren en reguleren, ja zelfs vastleggen in wetten. Wij doden niet meer op barbaarse wijze met stokken, maar heel gericht over kilometers. Dat je getroffen wordt, zul je nooit gewaar worden. Is (technische) ontwikkeling in alle gevallen vooruitgang?

Maandag 30 september 2010 had ik mijn introductie, die ik helaas aan mij voorbij had moeten laten gaan. De dag daarop beleefde ik mijn introductie met de andere groep. Zodoende kreeg ik toch te horen hoe de Minor Tweede Wereldoorlog er het komende halfjaar uit zou gaan zien. Wat de bedoeling van de Minor was, welke excursies wij zouden gaan maken, welk materiaal wij zouden krijgen en welke gastsprekers wij zouden ontvangen.

Nadat er enkele standaardformulieren waren ingevuld om de groepsreis naar de voormalige concentratiekampen Bergen Belsen en Buchenwald rond te krijgen, begonnen wij met een voorstelronde zodat wij elkaar wat beter leerde kennen.
Tijdens deze voorstelronde viel het mij op hoe weinig de andere HBO-studenten over een van de meest beslissende perioden uit de wereldgeschiedenis wisten. De een had wel eens geprobeerd zijn grootouders aan het spreken te krijgen, de ander had wel eens een boek gelezen en weer een ander wel eens een film gezien. Hoe kan het dat relatief zo kort na deze Wereldoorlog er onder jongeren, kleinkinderen van mensen die deze periode zelf nog hebben meegemaakt, er zó weinig bekend was? Blijkbaar wordt er in veel families niet over gesproken?
Ik moest denken aan de portretfoto die bij mijn ouders thuis in de kast stond. Van kinds af aan was ik er altijd door gefascineerd geweest. Het was de oudere broer van mijn oma, in een stralend wit mariniersuniform. “Zijn tropenuniform”, zegt mijn oma, inmiddels bijna 89 jaar, dan nog altijd trots. Haar broer ging vanwege de slechte economische situatie in 1936 bij de Nederlandse Marine en voer nog datzelfde jaar naar voormalig Nederlands-Indië uit, om nooit meer terug te keren. 9 jaar later zou hij in Osaka in Japan als krijgsgevangene sterven.

Ook aan de andere kant van mijn familie heb ik van jongs af aan altijd naar verhalen gevist en mijn grootouders spraken er makkelijk over. Toch kreeg ik pas twee jaar geleden te horen dat de zus van mijn opa drie jaar lang een relatie had met een Duitse onderofficier en dat zij zelfs trouwplannen hadden. Door het verloop van de oorlog is dit er nooit van gekomen en de man met wie zij uiteindelijk trouwde, en de kinderen die zij met hem kreeg, weten nog altijd niets van haar oorlogsromance.
Daar komt bij dat ik sinds mijn twaalfde haast obsessief bezig ben met de geschiedenis van de Tweede Weredoorlog. Ik door heel Europa slagvelden en musea heb bezocht, ik met veteranen uit verschillende landen over hun ervaringen heb gesproken en sinds mijn zeventiende dagelijks bezig ben met een haast onbeschreven pagina uit de Nederlandse geschiedenis: Nederlandse vrijwilligers in de Waffen SS. De afgelopen jaren heb ik meer dan 75 voormalige vrijwilligers geïnterviewd en veel archiefwerk gedaan. In 2007 heb ik in samenwerking met Cees Kleijn, afgestudeerd historicus aan de Universiteit van Amsterdam met de Duitse oorlogsgravenstichting, de Kriegsgräberfürsorge, 11 Nederlandse vermisten geborgen in Estland, alwaar nog altijd zo’n kleine duizend Nederlandse Waffen SS’ers vermist zijn. Kleijn en ik hebben enkele jaren terug de handen ineengeslagen en proberen nog zoveel mogelijk vast te leggen aan ervaringen en beeldmateriaal. Rond Dodenherdenking 2011 zal er op de NCRV een documentaire te zien zijn, waar wij de initiatiefnemers en researchers van zijn.

Keren wij terug naar de introductiedag. Met veel enthousiasme vertelde docent Wim Borghuis over zijn ervaringen van voorgaande groepen. Wij moesten er rekening mee houden dat wat wij te zien en te horen zouden krijgen niet altijd even leuk zou zijn, maar daarvoor konden wij er samen over praten. Dit versterkt niet alleen het groepsgevoel, maar stimuleert ook de verwerking. Interessant en nuttig is de manier waarop Borghuis tracht een overbrugging te maken tussen de verschillende onderwerpen: ‘oorlog an sich’, ‘de Tweede Wereldoorlog’ en recentere conflicten als Sebrenica. Voor de aankomende leraressen en leraren onder ons een didactisch goed. Hoe maakt je geschiedenis voor kinderen levend? Zo dus. Daarbij komt dat wij als gastspreker een psychotherapeut zullen krijgen. Deze therapeut heeft in België met de meest zware psychisch gestoorde patiënten te maken gehad en de bedoeling is dat wij een inzicht zullen krijgen in hoe een doorsnee mens tot sadist, of erger, kan verworden. Interessant dus. Ook zullen wij met een Sebrenica- of Afghanistanveteraan in gesprek gaan. Zodoende zullen wij zoveel mogelijk uit eerste hand over oorlog en de daar bij komende eventuele wreedheden te horen krijgen, om hier ook maar iets van te kunnen gaan begrijpen.
Daarnaast krijgen wij ook bezoek van Sander Snoep, cameraman van voor mij persoonlijk een van de meest interessante, psychologische en goedgemonteerde documentaires mij bekend. “First Kill” uit 2001 geeft op bijzondere wijze een beeld van de psyche van militairen die in Vietnam vochten en openlijk over hun ervaringen praten. Welk genot je op den duur uit doden kan halen. Meerdere malen heb ik de adembenemende documentaire gezien.
De ongedwongenheid van de Minor is prettig. Het koppelen van de opgedane ervaring aan kennis en het onderling spreken hierover zal voor een groot deel de Minor beheersen. De nadruk ligt in dit geval dus vooral op het ervaren, bezoeken en spreken.

Wat mij wel opviel was dat de teneur en het zwaartepunt de Holocaust was. De vaak beperkte kennis die mensen van de Tweede Wereldoorlog hebben, is vaak al die van de Holocaust. Ik hoop dat hier al doende meer evenwicht in blijkt te komen, en wij niet enkel bij dit aspect van de oorlog stil zullen blijven staan. Hierover is immers al zeer veel bekend.

Tot slot kregen wij die middag een korte historische opfrisser: de Tweede Wereldoorlog en de bezetting in Nederland in een twintigtal sheets, waarin de hoogtepunten, die vaak eigenlijk eerder dieptepunten waren, even werden toegelicht.
Komende maandag heet het: verzamelen bij oorlogs- en verzetsmuseum Overloon en begint de Minor dan echt.

Stijn Reurs