22-09-10

21 - 22 september, Westerbork (2)


De deuren van de trein gingen open. “Wie alt?”, werd er bot gevraagd aan de viertienjarige Mirjam Weitzner-Smuk. “Sechszehn”,reageerde ze. “Gesund?” “Ja”. Door dat ene leugentje over haar leeftijd, wat ze had verteld omdat iemand die ze niet kende het haar had ingefluisterd, kwam zij in de ‘goede’ rij terecht en zag ze haar moeder de andere rij in stappen. Die zou ze nooit meer zien. In 1944 overleed ze zelf ook, in Auschwitz. Dood.

In Kamp Westerbork werd er niets verteld over deze deportaties. De mensen die daar zaten zouden naar werkkampen gaan. In dit kamp, voorzien van school, ziekenhuis, speeltuin en redelijk voedsel, schemerde er niets door van de massamoorden die elders werden gepleegd. Hier schreven kinderen nog briefjes aan Sinterklaas, zoals Leo Meijer. Hij schreef dat hij niet meer naar school mocht, wat hij heel jammer vond. Een uitbraak van kindverlamming, schreef hij in 1942. Twee jaar later werden zijn ouders naar Auschwitz gedeporteerd. Leo was toen 9 jaar. Zijn ouders? Dood.

De mensen die vanuit Westerbork met de trein ergens heen werden gestuurd, hadden vermoedens wat er zou gebeuren. Niets was echter zeker. In het museum waar we zijn geweest, lag een briefje. Het was uit de trein gegooid. “Het laatste levensteken van mij. Ik zit in de trein naar Polen.” Ergens anders konden de bezoekers van het museum een krukje bekijken. Dit krukje was door iemand gemaakt, voor het geval zijn geliefde werd opgeroepen om met de trein weg te gaan. Toen ze werden omgeroepen, zijn ze door de hectiek en de angst het krukje vergeten. Zelf zullen ze daar niet teveel over hebben nagedacht. De bestemming van de trein? Auschwitz.

Met een handschrift dat nauwelijks leesbaar is, een krukje dat niks voorstelt, wordt duidelijk gemaakt dat het niet ging om 1000 mensen per trein. Het ging om duizend levens, duizend verhalen. Duizend mensen met vrienden en familie, mensen die ze, zelfs in de angst waarin ze verkeerden toen ze de trein in werden geduwd, nog steeds wilde laten weten hoe het ging. Niet wetende dat dat waarschijnlijk het laatste kaartje zou zijn wat ze zouden versturen. Niet wetende waar hun reis eindigde: de dood.

Van het kamp Westerbork zelf is weinig over, maar de verhalen die daar rondspoken zullen blijven worden verteld. De verhalen van de 102.000 mensen die daar, een dag of een jaar, hebben rondgelopen. Ze hebben geleefd, gehuild, gelachen, gewerkt. De verhalen van Machieltje, de baby die beter werd gemaakt om vervolgens met de trein weggevoerd te worden. Van Eva en Bram, die ondanks dat hun ouders juist iets beters wilden voor ze, verraden werden en na een lange Westerbork-periode de dood vonden. Van Mirjam en Leo. En dit zijn er pas vijf. Vijf van de honderdtweeduizend mensenlevens. Dood.

Daphne Blokhuis