22-10-08

21 oktober – plenaire bijeenkomst – Ooggetuigen en de Holocaust Experience

Deze keer zitten we gelukkig hoog en droog in ‘de fabriek’, zoals ik het nieuwe gebouw van de HU stiekem noem. De groep wordt in tweeën gedeeld, de Pabo-mensen krijgen eerst een workshop en vervolgens een presentatie van een ooggetuige. Zelf zit ik in de andere groep en zal van daaruit mijn ervaringen van deze middag vertellen. Eerst kregen we een persoonlijk verhaal te horen, dit heb ik uitgebreid beschreven in het stuk hierna. Daarna zijn we met onze groep aan de workshop begonnen. Hier moesten we in kleine groepen het gesprek aangaan met een gastspreker. We moesten er van uitgaan dat we hen hadden uitgenodigd voor een gastles op school en moesten het voorbereidende gesprek naspelen. De workshop is boeiend, omdat we vooral weer veel verhalen te horen krijgen. Het spreekt ons heel erg aan en dit is juist de hele opzet van het gastsprekerproject. Het dichterbij brengen van de oorlog, door ooggetuigen te laten vertellen.
Na dit onderdeel krijgen we een documentaire te zien over het ‘holocaust-toerisme’. Hierbij krijgen we de strijd van Auschwitz te zien bij het ‘bewaren’ van de bewijzen. Betonrot en monumentgrenzen maken het erg moeilijk om alles te houden zoals het was. In Amerika zien we een herdenkingsmuseum waarbij bezoekers kunnen ervaren hoe het is om richting een gaskamer te lopen en een museum waarbij men met de vraag zit: is het humaan om de afgeschoren haren van de slachtoffers tentoon te stellen. We moesten ons een mening vormen over deze manier van herdenken. Ik vind dit persoonlijk heel lastig, want Amerikanen zitten nou eenmaal totaal anders in elkaar dan Europeanen. Blijkbaar hebben zij meer ‘horror’ nodig om te begrijpen hoe erg het was.
We krijgen nog informatie mee over de ‘moffenhoeren’ en dan is de middag weer afgelopen. Persoonlijk vind ik het heel jammer dat we hier niet wat dieper op ingaan, want dit is een wezenlijk onderdeel van onze Nederlandse oorlogsgeschiedenis en moet vooral niet vergeten worden.

Het verhaal van Fannie
Wij krijgen het persoonlijke verhaal van Fannie te horen. Zij is in de oorlog geboren en heeft jarenlang niet over haar verleden willen nadenken. Ze vond dit veel te moeilijk. Haar tweede man wilde echter veel meer weten van haar jeugd en bleef ernaar vragen. Hij stelde voor om voor haar naar Bergen Belzen te gaan, het kamp waar zij met haar ouders , broer en zusjes heeft gezeten. Toen is ze meegegaan en daarna is zij begonnen het verleden te verwerken. Door juist meer te weten te komen over haar verleden heeft zij alles een plek kunnen geven.
Ze liet tijdens haar presentaties steeds foto’s zien. Deze zijn heel bijzonder, want ze komen uit een periode waarin nauwelijks foto’s werden gemaakt, omdat de situatie daar niet naar was. Een dierbare herinnering dus. Ze laat een foto van haar ouders zien. Haar vader kwam uit Frankfurt am Main en haar moeder was een meisje van het platteland. Waarschijnlijk zijn ze bij elkaar gebracht vanuit de orthodoxe gedachte dat een orthodoxe jood moest trouwen met een andere orthodoxe jood. Ze zijn in de jaren dertig getrouwd en dat was voor Joden geen gemakkelijke tijd in Duitsland. De ariërwetten golden al en zijn overheidsbaan raakte haar vader daarom kwijt. Hij ging werken in de zaak van zijn vader. Fannie is de jongste uit het gezin, ze heeft 2 zussen en een broer: Esther (’34), Alfred (’36) en Bertie (’39).
Haar ouders besluiten in 1937 naar Nederland te verhuizen. Ze komen in Amsterdam terecht, samen met opa en oma. Al snel komt opa te overlijden en blijft oma bij hen in huis wonen. Haar vader krijgt een zaak in het verlengde van de Damstraat, de Nieuwe Hoofdstraat nr. 20 (Nu zit daar café de Engel). Haar zusje Esther komt op een joodse kleuterschool terecht en daar is nog een foto van. Hier zie je de kindertjes met een Jodenster op hun kleren. Ook laat ze een foto zien uit 1909, waar haar moeder als klein kind op staat. Deze foto heeft ze ontdekt in een boekje over het dorp waar haar moeder vandaan kwam.
De familie krijgt de kans om naar de VS te gaan, maar dit doen ze niet, want oma is ziek en die kan niet mee. In januari 1942 is oma overleden en Fannie werd in de maand erna geboren. Een broer van haar moeder gaat wel naar de VS en heeft pas jaren later weer contact om dan pas te ontdekken dat zijn zus is omgekomen. Want dat is wat er is gebeurd…
De familie wordt opgepakt en via de Hollandse Schouwburg naar Westerbork gebracht. Een oom betaald veel geld om voor de familie een stempel te regelen. Hierdoor gaan ze in 1944 niet naar Auschwitz, maar naar Bergen Belsen. Van dit kamp was bekend dat er uitwisselingen waren met Duitse Krijgsgevangenen. De oom wordt uitgewisseld en zijn dochters beweren later dat dit ook voor hen geregeld had kunnen worden, maar dat haar moeder dit had geweigerd. Dit omdat haar vader ernstig ziek was en zij hem niet alleen wilde laten. Dit is niet zeker en er is dus veel discussie binnen de familie over de vraag of dit waar is.
Hoewel het kamp in het begin nog een modelkamp was, is het later verschrikkelijk geworden: het was een hel van overbevolking, ziektes, geen verzorging, honger, etc.
Toen ze vroeg aan haar broer wat hem het beste was bijgebleven noemde hij de extreme honger en het appèl. De omstandigheden tijdens het appèl waren gruwelijk. Tijdens de winter was het koud, guur en modderig en in de zomer was het juist extreem heet. Bovendien moesten de oudste drie kinderen alleen naar het appèl, want de moeder mocht met Fannie in de barak blijven.
Over het appèl wist haar broer ook nog iets positiefs te vertellen. In het kamp was er altijd een groep kinderen die zingend en marcherend naar het appèl kwamen. Hun leider zweepte hen elke dag weer op. Later is haar broer deze leider tegen gekomen. Het bleek dat de meeste kinderen uit deze groep het kamp hebben overleefd.
Haar vader is in het kamp overleden en haar moeder bleef achter. Toen de geallieerden naderden hebben de Nazi’s zoveel mogelijk willen uitwissen. Zo vertrokken er op het laatste moment nog een aantal treinen naar onbekende bestemming. Op 7 april vertrok de trein en deze kwam op 13 april tot stilstand. Tussendoor was er nauwelijks te eten en was er veel onzekerheid i.v.m. het afweergeschut achterop de trein. Vlak bij Maagdenburg, bij het dorpje Farsleben (?) stopt de trein. De bestuurder vlucht het dorpje in, want daar kwam hij vandaan. Ook de bewakers vluchten weg en de geallieerden vinden de trein. Over wat er na het stoppen van de trein gebeurde doen verschillende verhalen de ronde, maar feit blijft dat toen de geallieerden de trein openmaakten ze er veel mensen dood aantroffen.
Er zijn zelfs foto’s gemaakt van deze bevrijding en pas jaren later is het rolletje ontwikkeld. N.a.v. de foto’s heeft men kunnen achterhalen waar de trein precies is gestopt.
Haar moeder komt kort na de bevrijding te overlijden in het Rode Kruis ziekenhuis. Haar zusje Esther en broertje Alfred nemen de zorg voor de twee jongste zusjes op zich. Als 11- en 9-jarigen is dit natuurlijk een heel heftige ervaring. Haar zus weet nog dat ze uit Nederland gekomen zijn en daarom worden de kinderen daarheen gestuurd. Ze komen in Maastricht terecht en worden verspreid over 3 pleeggezinnen. Het gezin van Alfred houdt dit echter niet vol en hij komt in het weeshuis in Bussum terecht. Ze zien hem nog maar eens per jaar en als hij 14 is verhuisd het complete weeshuis naar Israël. Daar wordt haar broer een orthodoxe Jood, zoals hij op het sterfbed van zijn vader heeft beloofd. Voor hem was deze belofte een zware last, die hij altijd heeft meegedragen.
Als overlevende Joodse kinderen breekt er een moeilijke tijd aan. Ze hebben een andere naam dan hun pleegouders (daar is zij hen achteraf heel dankbaar voor) en ze zijn stateloos, want ze hebben niet de Nederlandse nationaliteit. Hierdoor hebben ze steeds een visum nodig als ze maar even over de grens moesten.
Esther heeft het altijd heel moeilijk gevonden over te praten, maar ook zij is sinds een jaar gastspreker in de klas, net als Fannie. Hier is zij heel erg blij mee.
Er worden nog een aantal vragen gesteld en Fannie gaat hier graag op in. Ze verteld veel over haar broer en ook gaat ze uitgebreid in op de vraag hoe zij nu aankijkt tegen de ‘fouten’. Voordat zij met haar verleden bezig is gegaan haatte zij de Duitsers. Daarna kwam het besef dat zij zelf Duitse roots heeft. Langzaam is ze gaan beseffen dat het niet zo zwart-wit is en dat ieder mens een individueel verhaal heeft.
Marian